SQL1500 - SQL1749
SQL1509N De instructie kan niet worden verwerkt omdat alle beschikbare transports in gebruik zijn en er geen transports meer kunnen worden gemaakt. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
Een transport is een fysieke verbinding met een database.
De reden dat er niet meer transports kunnen worden gemaakt wordt aangegeven door de oorzaakcode:
- 1
Er is geen geheugen voor extra transports beschikbaar.
- 2
De opgegeven waarde voor de configuratieparameter maxTransports is bereikt.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Los het geheugentekort op:
- Zorg dat er meer geheugen voor de toepassing beschikbaar komt. Beëindig bijvoorbeeld alle ongebruikte verbindingen.
- Herhaal de instructie.
- 2
Wijzig de databaseconfiguratie zodat er meer transports zijn toegestaan:
- Stel de configuratieparameter maxTransports in op een hogere waarde in het configuratiebestand db2dsdriver.cfg.
- Voer de toepassing opnieuw uit.
sqlcode: -1509
sqlstate: 57060
SQL1510N De lijst met resultaatsetelementen in een WITH RETURN TO CLIENT-clausule van een CREATE PROCEDURE-instructie is ongeldig. De onderstaande oorzaakcode geeft aan waarom de lijst met resultaatsetelementen ongeldig is: oorzaakcode
Verklaring
U kunt meerdere, tussenliggende resultaatsets van opgeslagen procedures terugzenden met behulp van de WITH RETURN TO CLIENT-clausule in de CREATE PROCEDURE-instructie.
De weergegeven oorzaakcode geeft aan waarom de resultaatsetelementen ongeldig zijn:
- 1
De lijst met resultaatsetelementen bevat een waarde die geen positief geheel getal is. Resultaatsetelementen die zijn opgegeven met WITH RETURN TO CLIENT moeten positieve gehele getallen zijn. Zo zijn de onderstaande waarden geen geldige resultaatsetelementen: -2, 0, 2.3
- 2
De lijst met resultaatsetelementen bevat dubbele waarden. U kunt een resultaatsetelement niet twee keer in de lijst opnemen. Zo is de onderstaande lijst niet geldig: (1, 2, 2).
- 3
De resultaatsetelementen zijn niet in een oplopende volgorde opgegeven. De volgende lijst is bijvoorbeeld geldig: (1, 3). Maar deze lijst is niet geldig: (3, 1).
- 4
Een element in de resultaatset is groter dan 32767. Het grootste geldige element in een resultaatset is 32767.
De opgeslagen procedure is niet gemaakt.
Instructie voor gebruiker
Roep opnieuw de CREATE PROCEDURE-instructie aan waarbij u geldige resultaatsetelementen opgeeft.
SQL1511N De opgegeven clausule clausule wordt niet ondersteund voor de servicesubklassen.
Verklaring
De opgegeven clausule clausule is geldig voor een servicesuperklasse, maar ongeldig voor een servicesubklasse.
Instructie voor gebruiker
Verwijder de niet-ondersteunde clausule of geef een servicesuperklasse op.
sqlcode: -1511
sqlstate: 5U044
SQL1512N Met ddcstrc kan niet worden geschreven in het opgegeven bestand.
Verklaring
Met ddcstrc kunnen de traceergegevens niet worden geschreven in de bestandsnaam, die is aangegeven als bestand waarnaar moet worden weggeschreven.
Instructie voor gebruiker
Controleer of de bestandsnaam die is opgegeven geldig is voor uw bestandssysteem. Als er geen bestandsnaam is opgegeven, controleert u of u de vereiste machtiging hebt om te schrijven in het standaardbestand ddcstrc.tmp.
SQL1513W ddcstrc is niet uitgeschakeld.
Verklaring
ddcstrc is niet uitgeschakeld, vanwege een fout. Dit is niet gebeurd, om ervoor te zorgen dat de traceergegevens niet verloren kunnen gaan voordat deze veilig in een bestand zijn geplaatst.
Instructie voor gebruiker
Corrigeer de fout betreffende ddcstrc, die vóór deze fout is aangegeven, en probeer vervolgens opnieuw de traceerfunctie uit te schakelen.
SQL1514N DB2START met de optie ADMIN MODE kan niet worden uitgevoerd omdat het opgegeven lid deel uitmaakt van een DB2 pureScale-omgeving.
Verklaring
De opdracht db2start is niet compatibel met de optie ADMIN MODE in een DB2 pureScale-omgeving.
Instructie voor gebruiker
Als u de toegang tot een bepaald lid moet beperken, gebruikt u de optie QUIESCE van de opdracht db2stop of STOP DATABASE MANAGER.
SQL1515N De gebruikerstoewijzing kan niet worden gemaakt voor de server servernaam vanwege een conflict met een bestaande gebruikerstoewijzing of een federatieve serveroptie. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Een gebruikerstoewijzing die is gedefinieerd voor PUBLIC kan niet tegelijkertijd op een server aanwezig zijn met gebruikerstoewijzingen die zijn gedefinieerd voor afzonderlijke gebruikers of op een server die is gedefinieerd met de federatieve serveroptie FED_PROXY_USER. De gebruikerstoewijzing is mislukt.
Instructie voor gebruiker
De oorzaakcode oorzaakcode geeft aan wat de specifieke situatie is. De volgende acties kunnen het probleem verhelpen.
- 1
Er wordt een gebruikerstoewijzing voor een afzonderlijke gebruiker gedefinieerd maar server servernaam heeft al een gebruikerstoewijzing voor PUBLIC gedefinieerd. Verwijder de gebruikerstoewijzing die voor PUBLIC is gedefinieerd van de server en maak de gebruikerstoewijzing opnieuw.
- 2
Er wordt een gebruikerstoewijzing voor PUBLIC gedefinieerd maar server servernaam heeft al een gebruikerstoewijzing voor een afzonderlijke gebruiker gedefinieerd. Verwijder alle gebruikerstoewijzingen voor afzonderlijke gebruikers van de server en maak opnieuw de gebruikerstoewijzing voor PUBLIC.
- 3
Er wordt een gebruikerstoewijzing voor PUBLIC gedefinieerd maar server servernaam is al gedefinieerd met de federatieve serveroptie FED_PROXY_USER. Wijzig de server om de optie FED_PROXY_USER te verwijderen en maak opnieuw de gebruikerstoewijzing voor PUBLIC.
sqlcode: -1515
sqlstate: 428HE
SQL1516N De ALTER SERVER-instructie kan de optie FED_PROXY_USER van de federatieve server niet toevoegen aan de server servernaam vanwege een conflict met een bestaande toewijzing.
Verklaring
De optie FED_PROXY_USER van de federatieve server kan niet worden toegevoegd aan de server servernaam omdat het een bestaande gebruikerstoewijzing heeft gedefinieerd voor PUBLIC. De instructie ALTER SERVER is mislukt.
Instructie voor gebruiker
Verwijder de gebruikerstoewijzing die is gedefinieerd voor PUBLIC van de server en geef opnieuw de instructie ALTER SERVER op.
sqlcode: -1516
sqlstate: 428HE
SQL1517N Er is een fout opgetreden bij db2start omdat de statussen van de clusterbeheerresource inconsistent zijn.
Verklaring
Er is een fout opgetreden bij de opdracht db2start om de processen te starten omdat er inconsistenties zijn tussen het clusterbeheerresourcemodel en het bestand db2nodes.cfg. Deze inconsistenties treden op wanneer in db2nodes.cfg een wijziging wordt aangebracht (al dan niet opzettelijk) die niet is gesynchroniseerd met clusterbeheer.
Het DB2 pureScale-subsysteem of nieuwe recources kunnen pas worden gestart als het probleem van de inconsistenties is opgelost. DB2-resources die al zijn gestart, ondervinden geen nadelige gevolgen van deze fout.
Instructie voor gebruiker
Herstel het bestand db2nodes.cfg naar een oudere configuratie (een die is gesynchroniseerd met clusterbeheer). Als dit niet mogelijk is, herstelt u het clusterresourcemodel. Hiertoe geeft u een algemene db2stop-opdracht om het subsysteem te stoppen en voert u het hulpprogramma db2cluster uit met de optie -repair.
SQL1520N De buffergrootte moet een numerieke waarde hebben die groter is dan of gelijk is aan 65536.
Verklaring
De gebruiker heeft een ongeldige buffergrootte opgegeven voor de opdracht ddcstrc.
Instructie voor gebruiker
Zorg ervoor dat de buffergrootte die wordt gebruikt een numerieke waarde heeft die groter is dan of gelijk is aan 65536 (64 kB). Houd er rekening mee dat het gebruikte geheugen een veelvoud is van 64 kB. Met de opdracht ddcstrc, wordt de opgegeven buffergrootte zodanig naar beneden afgerond dat de waarde het dichtstbijzijnde veelvoud van 64 kB wordt.
SQL1522N Er is een fout opgetreden bij de opdracht deactivate op een of meer leden, waarbij onzekere transacties zijn vastgesteld voor de betrokken database.
Verklaring
Dit bericht wordt gegenereerd als er is geprobeerd om een database expliciet te deactiveren met de opdracht DEACTIVATE DATABASE of de API sqle_deactivate_db, maar de database niet kan worden gedeactiveerd omdat er op een of meer leden onzekere transacties zijn vastgesteld voor de database.
De database is gedeactiveerd voor leden waarop geen onzekere transacties zijn vastgesteld. Voor leden waarvoor onzekere transacties zijn vastgesteld, blijft d database actief of in dezelfde staat waarin deze verkeerde voordat de opdracht deactivate werd gegeven.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit foutbericht reageren:
- Wacht tot de transactiemanager de onzekere transacties heeft opgelost:
- Identificeer de onzekere transacties voor de database met de opdracht LIST INDOUBT TRANSACTIONS.
- Bewaak de onzekere transacties tot de transactiemanager de onzekere transacties automatisch heeft opgelost.
- Geef nogmaals de opdracht DEACTIVATE DATABASE of roep de sqle_deactivate_db-API opnieuw aan.
- Los de transactieproblemen handmatig op:
- Identificeer de onzekere transacties voor de database met de opdracht LIST INDOUBT TRANSACTIONS.
- Los de onzekere transacties handmatig op. Geef nogmaals de opdracht DEACTIVATE DATABASE of roep de sqle_deactivate_db-API opnieuw aan.
- Forceer het deactiveren van de database door de opdracht DEACTIVATE DATABASE met de optie FORCE aan te roepen:
- Bepaal bij welke leden de deactiveringsbewerking is mislukt door de db2diag-logboeken te lezen.
- Voor elk lid waarvoor de deactivering is mislukt, geeft u de opdracht DEACTIVATE DATABASE met de optie FORCE.
Onzekere transacties blijven onopgelost.
SQL1523N Bij het verplaatsen van vaste gebieden is geprobeerd om toegang te krijgen tot de tabelruimte tabelruimtenaam terwijl er al een ander proces toegang tot die tabelruimte had. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Bij het verplaatsen van vaste gebieden is geprobeerd ongebruikte opslagruimte terug te halen om de grensaanduiding te verlagen maar er is al een hulpprogramma of proces dat toegang heeft tot de tabelruimte. De bewerking voor het verplaatsen van vaste gebieden is het resultaat van een ALTER TABLESPACE-instructie met een REDUCE- of LOWER HIGH WATER MARK-clausule.
Het hulpprogramma of het proces dat van invloed is op de tabelruimte wordt aangegeven door een van de volgende oorzaakcodes:
- 1
De tabelruimte heeft de status 'backup pending'.
- 2
De tabelruimte heeft de status 'restore in progress'.
- 3
De tabelruimte heeft de status 'restore pending' of 'recovery pending'.
- 4
De tabelruimte heeft de status 'rebalance in progress'.
- 5
De tabelruimte heeft de status 'rollforward in progress'.
- 6
De tabelruimte heeft de status 'rollforward pending'.
- 7
De tabelruimte heeft de status 'redistribute in progress'.
- 8
De tabelruimte heeft de status 'quiesce shared'.
- 9
De tabelruimte heeft de status 'quiesce update'.
- 10
De tabelruimte heeft de status 'quiesce exclusive'.
- 11
De tabelruimte heeft de status 'pstat_deletion'.
- 12
De tabelruimte heeft de status 'pstat_creation'.
- 13
De tabelruimte heeft de status 'stordef pending'.
- 14
De tabelruimte heeft de status 'disable pending'.
- 15
De tabelruimte heeft de status 'move in progress'.
Instructie voor gebruiker
Raadpleeg de documentatie over de verschillende statussen die een tabelruimte kan hebben. In de documentatie leest u ook hoe u de status kunt wijzigen in een status die wel het verplaatsen van vaste gebieden toelaat, of u kunt wachten tot de bewerking die plaatsheeft is voltooid. U kunt bijvoorbeeld een backup van de tabelruimte maken om de status 'backup pending' te wijzigen. Geef de instructie opnieuw op.
sqlcode: -1523
sqlstate: 55039
SQL1524N De opdracht kan pas worden uitgevoerd als alle toepassingen in het subsysteem op de hoogte zijn van de nieuwe databasepartitieserver.
Verklaring
Er is online een nieuwe databasepartitieserver aan het subsysteem toegevoegd. Als deze event optreedt, wordt een toepassing zich pas bij de volgende transactiegrens bewust van de aanwezigheid van de nieuwe databasepartitieserver, d.w.z. de uitzondering treedt op als de toepassing een open WITH HOLD-cursor heeft. Een nieuwe databasetoepassing wordt zich bij de eerste opdracht bewust van de nieuwe databasepartitieserver. Pas als alle toepassingen in het subsysteem zich bewust zijn van de nieuwe databasepartitieserver, zijn de opdrachten CREATE DATABASE PARTITION GROUP, ALTER DATABASE PARTITION GROUP, DROP DATABASE PARTITION GROUP, REDISTRIBUTE DATABASE PARTITION GROUP en DROP DATABASE weer toegestaan.
Instructie voor gebruiker
Voer een van de volgende acties uit en probeer de opdracht opnieuw op te geven.
- Wacht totdat alle toepassingen op de hoogte zijn van de nieuwe databasepartitieserver.
- Als wachten niet tot de mogelijkheden behoort, beëindigt u de toepassing die ertoe leidt dat de opdracht mislukt. U kunt deze toepassing opzoeken met de opdracht "db2pd -addnode oldviewapps" of "db2pd -addnode oldviewapps detail".
- Als deze opdracht door meerdere databasetoepassingen wordt verhinderd, dan kunt u alle toepassingen forceren of het afrondingsprogramma voor het subsysteem uitvoeren.
sqlcode: -1524
sqlstate: 55077
SQL1525N Er is een fout opgetreden bij het starten van de DB2-beveiligingsdaemon.
Verklaring
Er is een onverwachte fout opgetreden bij het starten van de DB2-beveiligingsdaemon.
Instructie voor gebruiker
Herhaal de opdracht DB2START. Neem contact op met IBM als het probleem zich blijft voordoen.
SQL1526N db2start is mislukt, omdat DB2VIA-ondersteuning niet is gestart. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
- De VIPL-bibliotheek die is opgegeven in de registervariabele DB2_VI_VIPL, kan niet worden geladen.
- Het apparaat dat is opgegeven in de registervariabele DB2_VI_DEVICE, kan niet worden geopend.
- De VIA-implementatie die is geïnstalleerd, wordt niet ondersteund door DB2.
Instructie voor gebruiker
- Zorg ervoor dat het DB2-register DB2_VI_VIPL juist is ingesteld, en dat de naam die is opgegeven in DB2_VI_VIPL, in de omgevingsvariabele %PATH% staat.
- Zorg ervoor dat het DB2-register DB2_VI_DEVICE juist is ingesteld.
- DB2 ondersteunt alleen VIA-implementaties die ten minste het betrouwbaarheidsniveau Reliable Delivery ondersteunen. Ook is het vereist dat de VIA-implementatie voldoet aan de Intel Virtual Interface Architecture Implementation Guide en de Suite-conformiteit doorvoert. Controleer of de VIA-implementatie die u hebt gekozen, voldoet aan deze eisen.
SQL1528W Een ingeschakelde werkbelasting is gekoppeld aan een uitgeschakelde serviceklasse.
Verklaring
Er worden inkomende verbindingen toegewezen aan de ingeschakelde werkbelasting werkbelasting, maar de werkbelasting kan nieuwe opdrachten niet toewijzen aan de serviceklasse naam-serviceklasse, want de serviceklasse is uitgeschakeld. Alle opdrachten die (opnieuw) worden toegewezen aan de uitgeschakelde serviceklasse, krijgen te maken met foutbericht SQL4714N.
Instructie voor gebruiker
Herstel het probleem indien nodig door de werkbelasting of de serviceklasse uit te schakelen. Verder is er geen actie vereist.
sqlcode: +1528
sqlstate: 01HN0
SQL1529N De laatste CF kan niet worden verwijderd.
Verklaring
In elke DB2 pureScale-omgeving moet minstens één clustercachevoorziening (CF) aanwezig zijn. De laatste CF kan niet worden verwijderd.
Instructie voor gebruiker
Voeg een nieuwe CF toe en activeer de wijzigingen voordat u deze verwijdert.
SQL1530W Het opgegeven niveau van parallelle verwerking wordt genegeerd, omdat het niet mogelijk is voor het systeem parallelle verwerking van het type intra-partitie uit te voeren.
Verklaring
De bindoptie DEGREE is opgegeven met een waarde groter dan 1 of de instructie SET CURRENT DEGREE is uitgevoerd met een waarde groter dan 1. Het is voor Database Manager echter niet mogelijk parallelle verwerking van het type intra-partitie uit te voeren.
Database Manager moet worden gestart met de configuratieparameter intra_parallel ingesteld op ON, zodat het voor het subsysteem mogelijk wordt parallelle verwerking van het type intra-partitie uit te voeren.
De voltooiing van de instructie of opdracht is geslaagd, maar het opgegeven niveau is genegeerd.
Instructie voor gebruiker
Als u parallelle verwerking van het type intra-partitie wilt gebruiken, start u Database Manager opnieuw op met de configuratieparameter intra_parallel ingesteld op ON.
Als u dit type verwerking niet wilt gebruiken, gebruikt u de waarde 1 of ANY voor het opgeven van het niveau.
sqlcode: +1530
sqlstate: 01623
SQL1531N De verbinding is mislukt omdat de opgegeven naam in het DSN-verbindingsreekssleutelwoord niet is gevonden in het configuratiebestand db2dsdriver.cfg of het configuratiebestand db2cli.ini. Naam gegevensbron opgegeven in de verbindingsreeks: DSN.
Verklaring
Het configuratiebestand db2dsdriver.cfg bevat gegevens van de databasedirectory en clientconfiguratieparameters voor gebruik door enkele IBM Data Server-clients en -stuurprogramma's.
Het CLI/ODBC-initialisatiebestand (db2cli.ini) bevat verschillende sleutelwoorden en waarden die kunnen worden gebruikt om het gedrag van CLI en de toepassingen die CLI gebruiken te configureren.
Dit bericht wordt weergegeven als de naam van een gegevensbron in een verbindingsreeks is opgegeven met het verbindingssleutelwoord "DSN", maar de opgegeven gegevensbronnaam niet kan worden gevonden op een van de volgende locaties:
- Opgegeven met het configuratiesleutelwoord "dsn alias" in het configuratiebestand db2dsdriver.cfg
- Opgegeven als sectiekop in het configuratiebestand db2cli.ini
Instructie voor gebruiker
- Voeg de opgegeven gegevensbronnaam toe in het configuratiebestand db2dsdriver.cfg of het configuratiebestand db2cli.ini.
- Stop het toepassingsproces en start het opnieuw om de configuratie-instellingen van kracht te laten worden.
- Geef de verbindingsaanvraag opnieuw op bij de opgegeven gegevensbronnaam.
SQL1532N Het configuratiebestand db2dsdriver.cfg bevat meerdere items voor de databasealias databasealias.
Verklaring
Het configuratiebestand db2dsdriver.cfg bevat database-informatie en wordt gebruikt door de volgende stuurprogramma's en clients:
- IBM Data Server Driver for ODBC and CLI
- IBM Data Server Driver Package
- Voor DB2-versie 9.7: voor CLI en openbrontoepassingen, IBM Data Server Client en IBM Data Server Runtime Client
De informatie in het bestand db2dsdriver.cfg komt overeen met de informatie in de systeemdatabasedirectory op een IBM Data Server Client of IBM Data Server Runtime Client.
Het configuratiebestand van het clientstuurprogramma kan niet meerdere identieke databasealiasitems of meerdere identieke database-items bevatten.
Instructie voor gebruiker
- Verwijder dubbele items uit het configuratiebestand db2dsdriver.cfg.
- Stop het toepassingsproces en start het opnieuw, zodat de instellingen in het bestand db2dsdriver.cfg van kracht worden.
SQL1533N Het configuratiebestand db2dsdriver.cfg bevat meerdere items voor een database met de volgende eigenschappen: databasenaam databasenaam; servernaam servernaam; en poortnummer poortnummer.
Verklaring
Het configuratiebestand db2dsdriver.cfg bevat database-informatie en wordt gebruikt door de volgende stuurprogramma's en clients:
- IBM Data Server Driver for ODBC and CLI
- IBM Data Server Driver Package
- Voor DB2-versie 9.7: voor CLI en openbrontoepassingen, IBM Data Server Client en IBM Data Server Runtime Client
De informatie in het bestand db2dsdriver.cfg komt overeen met de informatie in de systeemdatabasedirectory op een IBM Data Server Client of IBM Data Server Runtime Client.
Het configuratiebestand van het clientstuurprogramma kan niet meerdere identieke databasealiasitems of meerdere identieke database-items bevatten.
Instructie voor gebruiker
- Verwijder dubbele items uit het configuratiebestand db2dsdriver.cfg.
- Stop het toepassingsproces en start het opnieuw, zodat de instellingen in het bestand db2dsdriver.cfg van kracht worden.
SQL1534N Het aanroepen van db2dsdcfgfill is mislukt omdat er ongeldige opties zijn opgegeven.
Verklaring
U kunt de opdracht db2dsdcfgfill gebruiken om een configuratiebestand db2dsdriver.cfg te maken en te vullen op basis van de inhoud van de lokale databasedirectory, knooppuntdirectory en DCS-directory.
Dit bericht wordt weergegeven als een ongeldige parameter of parameterwaarde is opgegeven voor de opdracht db2dsdcfgfill.
Instructie voor gebruiker
Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit en geef daarbij geldige opties op.
SQL1535I De functie db2dsdcfgfill heeft het configuratiebestand db2dsdriver.cfg gemaakt.
Verklaring
Het configuratiebestand db2dsdriver.cfg bevat gegevens van de databasedirectory en clientconfiguratieparameters in een leesbare indeling. U kunt het configuratiebestand db2dsdriver.cfg maken en vullen met behulp van de functie db2dsdcfgfill.
Instructie voor gebruiker
U hoeft niet op dit bericht te reageren.
SQL1536N De functie db2dsdcfgfill is er niet in geslaagd het configuratiebestand db2dsdriver.cfg te maken. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
U kunt de functie db2dsdcfgfill gebruiken om een configuratiebestand db2dsdriver.cfg te maken en te vullen op basis van de inhoud van de lokale databasedirectory, knooppuntdirectory en DCS-directory.
De mogelijke oorzaakcodes zijn als volgt:
- 1
De functie db2dsdcfgfill is er niet in geslaagd het configuratiebestand db2dsdriver.cfg te maken omdat er onvoldoende systeemresources zijn. Deze fout kan zich bijvoorbeeld voordoen als er onvoldoende ruimte in de uitvoerdirectory is om het nieuwe bestand te maken.
- 2
Er heeft zich een interne, niet ernstige, systeemfout voorgedaan.
Instructie voor gebruiker
Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit.
Als het probleem blijft bestaan, moet u in overeenstemming met de oorzaakcode op deze fout reageren:
- 1
Het probleem met de systeemresources oplossen:
- Gebruik diagnoseprogramma's voor het besturingssysteem om gegevens over de systeemresources te onderzoeken. Onderzoek bijvoorbeeld of er voldoende ruimte is om het nieuwe bestand te maken.
- Zorg dat er meer systeemresources beschikbaar zijn. Maak bijvoorbeeld schijfruimte vrij.
- Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit.
- 2
Met IBM Support samenwerken om de interne fout of systeemfout op te lossen:
- Verzamel diagnosegegevens met behulp van db2trace terwijl u de opdracht db2dsdcfgfill uitvoert.
- Neem contact op met IBM Support om de met db2trace verzamelde diagnosegegevens te bestuderen.
SQL1537N De functie db2dsdcfgfill kon niet worden uitgevoerd omdat er een ongeldige waarde is opgegeven. Oorzaak: oorzaakcode.
Verklaring
U kunt de functie db2dsdcfgfill gebruiken om een configuratiebestand db2dsdriver.cfg te maken en te vullen op basis van de inhoud van de lokale databasedirectory, knooppuntdirectory en DCS-directory.
De oorzaakcode vertelt u meer over de reden waarom dit foutbericht is verzonden:
- 1
Het opgegeven databasemanagersubsysteem bestaat niet op deze client.
- 2
Het opgegeven pad van het databasemanagersubsysteem is niet geldig. Mogelijk bestaat het pad niet of heeft de functie db2dsdcfgfill geen toegang tot die directory.
- 3
De opgegeven uitvoerdirectory is ongeldig. Mogelijk bestaat het pad niet of heeft de functie db2dsdcfgfill geen machtiging om in die directory een bestand te maken.
- 4
Het opgegeven bestandspad voor db2cli.ini in ongeldig. Mogelijk bestaat het pad niet of heeft de functie db2dsdcfgfill geen machtiging voor toegang tot die directory of dat bestand.
Instructie voor gebruiker
Voer afhankelijk van de oorzaakcode een van de volgende acties uit:
- 1
Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit en geef daarbij een geldig databasemanagersubsysteem op.
- 2
Los het probleem met de directory van het databasemanagersubsysteem op:
- Bepaal waarom db2dsdcfgfill geen toegang heeft tot de opgegeven directory van het databasemanagersubsysteem. Ga bijvoorbeeld na of de machtigingsinstellingen van de directory de toegang tot die directory voor de functie db2dsdcfgfill onmogelijk maken.
- De oorzaak wegnemen waarom db2dsdcfgfill geen toegang heeft tot de opgegeven directory van het databasemanagersubsysteem. Wijzig bijvoorbeeld de machtigingsinstellingen van de directory zodat de functie db2dsdcfgfill wel toegang tot de directory heeft.
- Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit.
- 3
Het probleem met de uitvoerdirectory oplossen:
- Bepaal waarom db2dsdcfgfill geen toegang heeft tot de opgegeven uitvoerdirectory. Ga bijvoorbeeld na of de machtigingsinstellingen van de directory voorkomen dat de functie db2dsdcfgfill een bestand in die directory kan maken.
- Neem de oorzaak weg waarom db2dsdcfgfill geen configuratiebestand db2dsdriver.cfg in de opgegeven directory kan maken. Wijzig bijvoorbeeld de machtigingsinstellingen van de directory zodat de functie db2dsdcfgfill wel een bestand in de directory kan maken.
- Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit.
- 4
Los het probleem met het bestandspad van db2cli.ini op:
- Bepaal waarom db2dsdcfgfill geen toegang heeft tot de opgegeven bestand. Ga bijvoorbeeld na of de machtigingsinstellingen van de directory voorkomen dat de functie db2dsdcfgfill toegang heeft tot een bestand in die directory.
- Neem de oorzaak weg waarom db2dsdcfgfill geen toegang tot het bestand db2cli.ini in de opgegven directory heeft. Wijzig bijvoorbeeld de machtigingsinstellingen van de directory zodat de functie db2dsdcfgfill wel toegang heeft tot een bestand in de directory.
- Voer de functie db2dsdcfgfill opnieuw uit.
SQL1538N Het volgende sleutelwoord wordt niet ondersteund in de huidige omgeving:
Verklaring
Het sleutelwoord dat u hebt opgegeven, wordt niet ondersteund in een DB2 pureScale-omgeving.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht nogmaals of voer de SQL-instructie opnieuw uit met uitsluitend ondersteunde sleutelwoorden.
sqlcode: -1538
sqlstate: 56038
SQL1539N Er is een fout opgetreden bij de laadbewerking omdat de laaddoeltabel niet compatibel is met uitzonderingstabellen in het algemeen of met specifieke uitzonderingstabellen in het bijzonder. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
U kunt grote hoeveelheden gegevens efficiënt verplaatsten naar nieuwe tabellen of naar tabellen die al gegevens bevatten. Hiervoor gebruikt u het hulpprogramma load.
U kunt een geconsolideerd rapport maken van alle rijen die in strijd zijn met unieke indexeringsregels, bereikvoorwaarden en beveiligingsbeleidsdefinities tijdens een laadbewerking. Hiervoor gebruikt u een laaduitzonderingstabel. U geeft een laaduitzonderingstabel op met de clausule FOR EXCEPTION van de opdracht LOAD.
De oorzaakcode geeft de specifieke reden aan waarom het foutbericht wordt weergegeven.
- 1
De laaddoeltabel gebruikt LBAC-beveiliging en heeft minstens één XML-kolom.
- 2
De laaddoeltabel is gepartitioneerd en heeft minstens één XML-kolom.
- 3
De partitietoewijzing voor de laaddoeltabel is niet gelijk aan de partitietoewijzing voor de opgegeven laaduitzonderingstabel.
Een partitietoewijzing bepaalt de rijdistributie van een tabel in databasepartities. De distributie van rijen in de laaddoeltabel moet gelijk zijn aan de distributie van rijen in de laaduitzonderingstabel.
- 4
De uitzonderingstabel is een kolomgeorganiseerde tabel. Kolomgeorganiseerde tabellen worden niet ondersteund als uitzonderingstabellen.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht LOAD opnieuw zonder de optie FOR EXCEPTION.
sqlcode: -1539
sqlstate: 5U049
SQL1540N Er is een fout met een SQL-instructie of een DB2-hulpprogramma opgetreden omdat een object van een opslaggroep of tabelruimte niet toegankelijk is voor een lid. Object-ID: object-id. Lid: lid-id. Sleutelwoord objecttype: sleutelwoord-objecttype.
Verklaring
Er is een fout opgetreden voor een SQL-instructie of een DB2-hulpprogramma omdat de opslaggroep of tabelruimte waarin een databaseobject aanwezig is, niet toegankelijk is voor een lid. De catalogusview SYSCAT.TABLESPACES kan worden gebruikt om de naam van de tabelruimte te identificeren aan de hand van een tabelruimte-ID. De catalogusview SYSCAT.STOGROUPS kunt u gebruiken om de naam van de opslaggroep vast te stellen op basis van een opslaggroep-ID. Als de tokenwaarden van het object-ID "*N" is, is de bestandsheader van een opslaggroep niet toegankelijk voor dit lid.
Instructie voor gebruiker
Controleer of alle databaseopslagpaden toegankelijk zijn op het lid en geef de SQL-instructie nogmaals op of geef deze op een ander lid op.
sqlcode: -1540
sqlstate: 57048
SQL1541N Er is een fout opgetreden bij het verwijderen van het lid omdat het opgegeven lid het enige lid is in dit DB2 pureScale-subsysteem. Het laatste lid kan niet worden verwijderd.
Verklaring
In elke DB2 pureScale-omgeving moet minstens één lid aanwezig zijn. De laatste CF kan niet worden verwijderd.
Instructie voor gebruiker
- Voeg een nieuw lid toe met de opdracht db2iupdt en de optie -add.
- Verwijder het oorspronkelijke lid met de opdracht db2iupdt en de optie -drop.
SQL1542N Er is een fout opgetreden bij het toevoegen van een CF omdat het maximale aantal CF's in het databasemanagersubsysteem is bereikt.
Verklaring
Een DB2 pureScale-omgeving ondersteunt maximaal twee clustercachefuncties (CF's) voor elk databasemanagersubsysteem. Dit bericht wordt weergegeven als er wordt geprobeerd meer CF's toe te voegen dan maximaal is toegestaan.
Instructie voor gebruiker
- Verwijder een van de bestaande CF's met de opdracht db2iupdt en de optie -drop
- Voeg een nieuwe CF toe met de opdracht db2iupdt en de optie -add
SQL1543N De opgegeven host voor de CF is een duplicaat.
Verklaring
In elke DB2 pureScale-omgeving kan er slechts één clustercachevoorziening (CF) op een gegeven host aanwezig zijn.
Instructie voor gebruiker
Geef een host op waarop nog geen CF aanwezig is.
SQL1544N Backup van een database na een topologiewijziging in een DB2 pureScale-omgeving kan niet worden uitgevoerd vanuit een nieuw toegevoegd lid.
Verklaring
Na een topologiewijziging in een DB2 pureScale-omgeving, is het maken van een backup van de database verplicht. Dit moet worden gedaan vanuit een van de vooraf bestaande leden.
Instructie voor gebruiker
Maak een backup vanuit een van de vooraf bestaande leden.
SQL1545N Herstel van een database-image vanuit een voorgaande topologie wordt niet ondersteund.
Verklaring
In een DB2 pureScale-omgeving is het herstellen van een image met een andere topologie dan de huidige databasetopologie (andere instelling of aantal leden) niet toegestaan.
Instructie voor gebruiker
Herstel het image met de recentste topologiewijziging en ga vanaf dat punt verder.
SQL1546N De ROLLFORWARD-bewerking is mislukt omdat de rollforwardfunctie in de databaselogboeken een event heeft aangetroffen waardoor deze bewerking niet kan worden voortgezet. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
De oorzaakcode geeft aan welk type event er is gevonden in de logboeken:
- 1
Een topologiewijziging maakt transactielogs en backups van tabelruimten die voorafgaand aan de topologiewijziging zijn gemaakt, incompatibel met de database na de topologiewijziging:
- De verwijdering van een lid
- Het herstel van een pureScale-database naar een pureScale-subsysteem waarbij de bronlidtopologie leden bevat die geen deel uitmaken van de doellidtopologie
- Het herstel van een Enterprise Server Edition-database naar een pureScale-subsysteem
- Het herstel van een pureScale-database naar een Enterprise Server Edition-subsysteem
De rollforwardfunctie kan geen wijzigingen opnieuw aanbrengen die deze typen topologiewijzigingen omvatten. Dit bericht wordt geretourneerd wanneer wordt geprobeerd een ROLLFORWARD-bewerking uit te voeren die een van deze typen topologiewijzigingen omvat.
- 2
Een onherstelbare upgradebewerking. De rollforwardfunctie kan voor deze event geen ROLLFORWARD uitvoeren.
- 3
Een wijziging van de DB2-versie die de transactielogboeken incompatibel maakt voor de huidige DB2-versie. De rollforwardfunctie is gestopt.
- 4
Een wijziging van de DB2-versie die een logboekrecord incompatibel heeft gemaakt met de huidige DB2-versie. De rollforwardfunctie is gestopt.
- 5
Er is een ongeldig logboekrecord aangetroffen. De rollforwardfunctie is gestopt.
Instructie voor gebruiker
Als de oorzaakcode naar een ongeldig logboekrecord verwijst, raadpleeg dan het bestand db2diag.log en probeer voor u verder gaat eerst het probleem op te lossen.
Als de oorzaakcode en uw herstelscenario op een van de volgende situaties duiden:
- een event van een topologiewijziging
- een onherstelbare upgradebewerking
- een wijziging van de DB2-versie en u wilt de huidige DB2-versie blijven gebruiken
- een ongeldig logboekrecord
Voer dan de opdracht ROLLFORWARD DATABASE uit met de optie STOP om het volgende te bereiken:
- Stoppen van de rollforwardbewerking voor de logboekrecords en voltooiing van het herstelproces. Alle vastgelegde transacties zijn dan hersteld tot aan het event dat het stoppen van de rollforwardbewerking heeft veroorzaakt.
- Rollback van alle onvoltooide transacties.
- Uitschakeling van de databasestatus Rollforward in behandeling.
- Toegangsverlening tot de database of de tabelruimten waarvoor de rollforward wordt uitgevoerd.
Als de oorzaakcode op een versiewijziging duidt en u wilt verdergaan met de rollforward, start de opdracht ROLLFORWARD DATABASE dan vanaf de latere versie van het product om de bewerking te voltooien.
SQL1547N De start- of stopopdracht kan niet worden uitgevoerd omdat er onvoltooide toevoeging- of verwijderingsbewerkingen zijn.
Verklaring
Er is een fout opgetreden bij een poging om een DB2-lid of een clustercachevoorziening (CF) toe te voegen of te verwijderen. Als gevolg hiervan kan de start- of stopopdracht pas worden verwerkt als de onvoltooide toevoegings- of verwijdereringbewerking is voltooid.
Gebruikersrespons
- Corrigeer handmatig de mislukte toevoegings- of verwijderingsbewerking met de opdracht db2iupdt met de parameter fixtopology.
Let erop dat de opdracht db2iupdt met de parameter fixtopology altijd een verwijderingsbewerking uitvoert om een onvoltooide toevoegings- of verwijderingbewerking te voltooien.
- Geef de start- of stopopdracht opnieuw.
Instructie voor gebruiker
SQL1548N De opdracht REORG is mislukt omdat de modi ALLOW WRITE ACCESS en ALLOW READ ACCESS niet geldig zijn voor een gepartitioneerde tabel.
Verklaring
U kunt indexen of tabellen reorganiseren met behulp van de opdracht REORG. U kunt met behulp van de volgende clausules bepalen welke toegang gebruikers hebben tot de desbetreffende index of tabel:
- ALLOW NO ACCESS
- ALLOW READ ACCESS
- ALLOW WRITE ACCESS
Er zijn beperkingen en vereisten voor de manier waarop ALLOW-clausules kunnen worden gebruikt. Wanneer de opdracht REORG INDEXES ALL bijvoorbeeld wordt uitgevoerd op een gegevenspartitietabel, wordt de clausule ALLOW WRITE ACCESS alleen ondersteund wanneer een of meer van de volgende clausules ook is opgegeven: ON DATA PARTITION, CLEANUP en RECLAIM EXTENTS.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer een gegevenspartitietabel wordt gereorganiseerd en een van de ALLOW-clausules wordt gebruikt op een manier die niet wordt ondersteund.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht REORG opnieuw op met de juiste toegangsmodus voor een gepartitioneerde tabel.
sqlcode: -1548
sqlstate: 5U047
SQL1549N De clausule ON DATA PARTITION is niet toegestaan bij deze opdracht.
Verklaring
De opdracht REORG TABLE met de clausule ON DATA PARTITION is niet toegestaan voor een tabel die voldoet aan de volgende twee voorwaarden:
- De tabel heeft de status Reorg in behandeling.
- Er zijn een of meer niet-gepartitioneerde indexen gedefinieerd voor de tabel. Een niet-gepartitioneerde index kan een door de gebruiker gedefinieerde index of een door het systeem gemaakte index zijn, bijvoorbeeld een XML PATH-index die wordt gemaakt als de tabel een XML-kolom bevat.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht REORG TABLE zonder de clausule ON DATA PARTITION.
sqlcode: -1549
sqlstate: 5U047
SQL1550N Er is een fout opgetreden bij de opdracht SET WRITE SUSPEND vanwege de omstandigheid die vermeld wordt in de oorzaakcode. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
U kunt de opdracht SET WRITE SUSPEND pas opgeven wanneer voldaan is aan de voorwaarde die wordt aangeduid door oorzaakcode.
- 1
De database is niet geactiveerd.
- 2
Er wordt op dit moment een backupbewerking voor de doeldatabase uitgevoerd.
- 3
Er wordt op dit moment een terugzetbewerking uitgevoerd voor de doeldatabase.
- 4
Schrijfbewerkingen zijn al aangehouden voor de database.
- 5
Een van de volgende situaties heeft zich voorgedaan:
- De huidige status van een of meer tabelruimten staat het onderbreken van schrijfbewerkingen niet toe.
- Wijzigingen in de bufferpools die aan de tabelruimten zijn gekoppeld, wachten nog op uitvoering en staan het aanhouden van schrijfbewerkingen niet toe.
- 6
Er is een fout opgetreden bij een poging om schrijfbewerkingen voor de database te onderbreken.
In een DB2 pureScale-omgeving kan SQL1550N worden afgebeeld met oorzaakcode 6 als de opdracht SET WRITE is mislukt voor een of meer leden in de DB2-cluster.
- 7
De database is afgerond of heeft een tijdelijke status die het onderbreken van schrijfbewerkingen niet toestaat. Dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een afgeronde database of afgerond subsysteem of doordat momenteel een deactivering van de database wordt uitgevoerd.
- 8
De opdracht SET WRITE SUSPEND wordt niet ondersteund voor een secundaire HADR-database.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Activeer de database door de opdracht ACTIVATE DATABASE op te geven en geef vervolgens de opdracht SET WRITE SUSPEND opnieuw op.
- 2
Nadat de BACKUP-procedure is voltooid, geeft u nogmaals de opdracht SET WRITE SUSPEND.
- 3
Nadat de RESTORE-procedure is voltooid, geeft u nogmaals de opdracht SET WRITE SUSPEND.
- 4
Als u de schrijfbewerkingen voor deze database wilt hervatten, geeft u de opdracht SET WRITE RESUME.
- 5
- Bekijk de status van de tabelruimten met de tabelfunctie MON_GET_TABLESPACE. Voordat u de opdracht SET WRITE SUSPEND opnieuw kunt opgeven, moet u met de hiervoor geldende opdracht de schrijfbewerkingen hervatten voor de tabelruimten die de status Aangehouden hebben.
- Als er voor een of meer tabelruimten een bewerking wordt uitgevoerd, wacht dan totdat deze is voltooid voordat u de opdracht SET WRITE SUSPEND opnieuw opgeeft. Als zelfafstemmend geheugenbeheer bijvoorbeeld is ingeschakeld, kunnen er bufferpoolwijzigingen worden uitgevoerd. Als de wijzigingen zijn voltooid, worden de schrijfonderbrekingsbewerkingen toegestaan.
- 6
U kunt op de oorzaakcode 6 reageren door de volgende stappen uit te voeren:
- Zoek de oorzaak van de fout door het berichtenlogboek voor beheer te raadplegen.
Bekijk in een DB2 pureScale-omgeving het berichtenlogboek voor beheer voor elk lid in de DB2-cluster.
- Corrigeer het probleem dat de opdracht SET WRITE niet kan worden uitgevoerd.
Als in een DB2 pureScale-omgeving verschillende leden in de DB2-cluster verschillende hoofdoorzaken voor dit probleem melden, corrigeert u alle oorzaken die worden gemeld door de leden.
- Geef de opdracht SET WRITE SUSPEND opnieuw.
- Zoek de oorzaak van de fout door het berichtenlogboek voor beheer te raadplegen.
- 7
Maak de afronding van de database ongedaan als dit het geval is of wacht een korte periode en geef de opdracht SET WRITE met de optie SUSPEND opnieuw.
- 8
Voer de opdracht SET WRITE uit op de primaire HADR-database.
SQL1551N Er is een fout opgetreden bij de opdracht SET WRITE RESUME of de opdracht RESTART DATABASE met de parameter WRITE RESUME vanwege de omstandigheid die in de oorzaakcode is aangegeven. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
U kunt de opdracht SET WRITE RESUME of de opdracht RESTART DATABASE pas opgeven wanneer voldaan is aan de voorwaarde die wordt aangeduid door oorzaakcode.
- 1
Er wordt op dit moment een momentopnamebackup voor de doeldatabase uitgevoerd.
- 2
De database heeft op dit moment niet de status WRITE SUSPEND.
- 3
Er is een fout opgetreden bij een poging om de schrijfbewerkingen voor de database te hervatten.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
- Wacht tot de momentopnamebackup is voltooid.
- Geef de opdracht SET WRITE RESUME opnieuw.
- 2
Als de mislukte opdracht SET WRITE RESUME is, hoeft de gebruiker geen actie te ondernemen omdat schrijfbewerkingen al zijn ingeschakeld voor de database. Geef de opdracht SET WRITE SUSPEND op om schrijfbewerkingen voor de database aan te houden.
Als de mislukte opdracht RESTART DATABASE met de parameter WRITE RESUME is, geeft u de opdracht RESTART DATABASE zonder de parameter WRITE RESUME. Als deze mislukt en de database niet de status WRITE SUSPEND heeft:
- Wacht tot alle SET WRITE SUSPEND-bewerkingen zijn voltooid.
- Geef de opdracht RESTART DATABASE opnieuw met de parameter WRITE RESUME.
- 3
- Zoek de oorzaak van de fout door de diagnostische logboekbestanden (db2diag) te raadplegen.
- Los het problem op.
- Geef de opdracht SET WRITE RESUME opnieuw.
SQL1552N De opdracht is mislukt omdat schrijfbewerkingen voor de database zijn onderbroken of worden aangehouden.
Verklaring
U kunt schrijfbewerkingen voor een database onderbreken met de db2SetWriteForDB-API of de opdracht SET WRITE met de clausule SUSPEND. Er is een aantal bewerkingen die niet op een database kunnen worden uitgevoerd als schrijfbewerkingen voor de database zijn onderbroken of als databasemanager bezig is de schrijfbewerkingen voor de database te onderbreken:
- Backups van de database maken
- De database herstellen
- De database opnieuw starten
- Verbinding maken met de database of deze activeren
- Databaseconfiguratiebestanden bijwerken of opnieuw instellen
Dit bericht wordt weergegeven als u probeert deze bewerkingen uit te voeren voor een database die de status WRITE SUSPEND heeft of die momenteel schrijfbewerkingen aanhoudt.
Instructie voor gebruiker
Als de schrijfbewerkingen worden aangehouden, controleert u eerst de status van de database met de configuratieparameter suspend_io en wacht u tot de bewerking SET WRITE SUSPEND is voltooid voordat u verdergaat.
Vervolgens reageert u op de fout volgens het scenario waarin het bericht is geretourneerd:
- Backups maken van de database en de database herstellen:
- Hervat de schrijfbewerkingen voor deze database met de opdracht SET WRITE RESUME FOR DATABASE.
- Voer de backup- of herstelbewerking opnieuw uit.
- De database opnieuw starten zonder de clausule WRITE RESUME:
Voer de startbewerking opnieuw uit door een van de volgende acties:
- Geef de opdracht RESTART DATABASE met de clausule WRITE RESUME.
- Roep de db2DatabaseRestart-API aan en geef de optie DB2_RESUME_WRITE op.
In een omgeving met meerdere databasepartities gebruikt u de herstartopdracht of API-aanroep op elke databasepartitie opnieuw.
- De database opnieuw starten met de clausule WRITE RESUME in DB2 pureScale-omgevingen:
- Als automatisch herstarten is ingeschakeld en de databaseconfiguratieparameter autorestart is ingesteld op ON, wacht u enkele seconden en voert u de herstart opnieuw uit, waarbij u de clausule WRITE RESUME of de optie DB2_RESUME_WRITE opgeeft.
- Als automatisch herstarten is uitgeschakeld en de databaseconfiguratieparameter autorestart is ingesteld op OFF, voert u de volgende twee stappen uit:
- Start de database opnieuw zonder de clausule WRITE RESUME of de optie DB2_RESUME_WRITE op te geven.
- Start de database opnieuw en geef de clausule WRITE RESUME of de optie DB2_RESUME_WRITE op.
- Ander scenario's (waaronder verbinding maken met de database, de database activeren en de databaseconfiguratiebestanden bijwerken):
Start de database opnieuw door een van de volgende acties uit te voeren:
- Geef de opdracht RESTART met de clausule WRITE RESUME.
- Roep de db2DatabaseRestart-API aan en geef de optie DB2_RESUME_WRITE op.
In DB2 pureScale-omgevingen heeft het geven van de opdracht of API op een ander lid tot gevolg dat schrijfbewerkingen worden hervat op alle aangehouden leden.
SQL1553N De databasemanager kan niet worden beëindigd omdat een of meer databases de status WRITE SUSPEND hebben.
Verklaring
U kunt geen database afsluiten waarvoor schrijfbewerkingen zijn aangehouden. De database heeft de status WRITE SUSPEND.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht SET WRITE RESUME om schrijfbewerkingen voor de database te hervatten en geef vervolgens de opdracht db2stop op.
sqlcode: -1553
SQL1554N De opdracht is mislukt omdat de opdrachten LIST TABLESPACES en LIST TABLESPACE CONTAINERS zijn gedeprecieerd en niet worden ondersteund in een DB2 pureScale-omgeving.
Verklaring
De opdrachten en API's die informatie over tabelruimten en tabelruimtecontainers bevatten, zijn gedeprecieerd, worden niet ondersteund in een DB2 pureScale-omgeving en worden in een toekomstige release mogelijk verwijderd. De opdrachten LIST TABLESPACES en LIST TABLESPACE CONTAINERS worden niet meer bijgewerkt met nieuwe functies.
Instructie voor gebruiker
Wijzig de bestaande scripts met gedeprecieerde opdrachten of API's om in plaats hiervan de functie MON_GET_TABLESPACE of MON_GET_CONTAINER aan te roepen. Deze tabelfuncties retourneren meer informatie dan de gedeprecieerde opdrachten en API's.
sqlcode: -1554
sqlstate: 5U001
SQL1560N Profiel voor interne statistieken bestaat niet voor tabel tabelnaam.
Verklaring
Voordat u een profiel voor interne statistieken gebruikt, moet dit eerst zijn gedefinieerd.
Instructie voor gebruiker
Registreer een statistisch profiel voor de tabel met behulp van de optie SET PROFILE van de opdracht RUNSTATS en voer de bewerking daarna opnieuw uit.
SQL1561N Optie voor interne statistieken is niet compatibel met het niveau van de databaseserver.
Verklaring
Een of meer van de opgegeven opties zijn niet compatibel met de gebruikte versie van de databaseserver. Deze versie van de databaseserver bevat geen ondersteuning voor alle statistische opties die beschikbaar zijn in de API db2runstats.
Instructie voor gebruiker
Gebruik de API sqlustat voor de verzameling van statistische gegevens, of gebruik de API db2runstats met alleen de opties op die ook beschikbaar zijn voor de API sqlustat.
SQL1562N Optie voor knooppunt voor interne statistieken is niet compatibel met de bestaande statistieken voor tabel tabelnaam.
Verklaring
De optie voor het knooppunt voor statistische gegevens verschilt van de bestaande interne statistieken voor de tabel en/of index.
Instructie voor gebruiker
Gebruik een consistente knooppuntwaarde om de statistische gegevens voor een tabel te verzamelen.
SQL1563N De procedure SYSINSTALLOBJECTS heeft de explain-tabellen niet kunnen migreren.
Verklaring
U kunt explain-tabellen alleen migreren met de procedure SYSINSTALLOBJECTS als de explain-tabellen zijn gemaakt met DB2 versie 9.5 of hoger.
Instructie voor gebruiker
Migreer de explain-tabellen met de opdracht db2exmig.
sqlcode: -1563
sqlstate: 5U048
SQL1564N De herstel- of rollforward-bewerking is niet voltooid omdat de opgegeven bewerking niet wordt ondersteund. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
- 1
Herstel van een database-backupimage wanneer de imagetopologie een superset is van de doelledentopologie, zonder de clausule WITHOUT ROLLING FORWARD.
- 2
Er is geprobeerd om een tabelruimte te herstellen vanuit een backupimage die voorafgaand aan een van de volgende events is gemaakt:
- Een DB2-member is verwijderd uit de een DB2 pureScale-subsysteem instance
- Een backupimage is hersteld vanaf een DB2 Enterprise Server Edition-subsysteem (ESE) naar een DB2 pureScale-subsysteem
- 3
Herstel van een backupimage (database of tabelruimte) waarbij het lid dat de herstelbewerking bestuurt, niet aanwezig is in de topologie van de backupimage.
- 5
Herstel van een backupimage van een inconsistente database wanneer de imagetopologie niet een superset is van de doeledentopologie.
- 6
Bij het herstellen van een backupimage tussen een DB2 pureScale-subsysteem en een DB2 Enterprise Server Edition-subsysteem is dit niet een databaseherstel of is het backupimage niet een offline backupimage van een database.
- 7
Herstel van een backupimage van een inconsistente database tussen een DB2 Enterprise Server Edition-subsysteem en een DB2 pureScale-subsysteem.
- 8
Een image van een eerdere versie kan alleen worden hersteld wanneer aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:
- De brontopologie komt overeen met de doeltopologie.
- Het bronsubsysteem is van hetzelfde type als het doelsubsysteem.
- 9
Herstel van een backupimage tussen een DB2 pureScale-subsysteem en een DB2 Enterprise Server Edition-subsysteem, zonder de clausule WITHOUT ROLLING FORWARD op te geven.
Instructie voor gebruiker
Voer, afhankelijk van de oorzaakcode, een van de onderstaande acties uit:
- 1
Voer de opdracht RESTORE opnieuw uit met de clausule WITHOUT ROLLING FORWARD.
- 2
Herstel de meest recente volledige databasebackup eerder dan de tabelruimtebackup, en vervolgens de opdracht RESTORE opnieuw uitvoeren.
- 3
Voer de opdracht RESTORE uit vanuit een gemeenschappelijk lid in de backupimage-topologie en de huidige ledentopologie.
- 5
Voer een offline backup uit op het bronsubsysteem, of voeg aan het doelsubsysteem minimaal alle leden in het bronsubsysteem toe, en voer de opdracht RESTORE opnieuw uit.
- 6
U moet een volledige offline databasebackup uitvoeren op de broninstance, en vervolgens de volledige databasebackup herstellen met de opdracht DATABASE RESTORE en de clausule WITHOUT ROLLING FORWARD.
- 7
Voer een offline backup uit op het bronsubsysteem, of voeg aan het doelsubsysteem het lid-ID in het bronsubsysteem toe, en voer de opdracht RESTORE opnieuw uit.
- 8
Voor het herstellen van een down-level image, voert u een of beide van de volgende acties uit:
- Wijzig de topologie van het doelsubsysteem door leden toe te voegen of te verwijderen, of schakel over naar een ander subsysteem met een overeenkomende topologie.
- Voer de opdracht RESTORE uit op hetzelfde type subsysteem als dat van het subsysteem waarop de BACKUP-opdracht is uitgevoerd. Als de BACKUP-opdracht is uitgevoerd voor een DB2 pureScale-subsysteem, voert u de RESTORE-opdracht ook uit voor een DB2 pureScale-subsysteem.
- 9
Voer de opdracht RESTORE opnieuw uit met de clausule WITHOUT ROLLING FORWARD.
SQL1565N De in het configuratiebestand van Database Manager opgegeven waarde voor het CF-diagnosepad (cf_diagpath) is ongeldig.
Verklaring
De in het configuratiebestand van Database Manager opgegeven waarde voor het diagnosepad van de clustercachevoorziening (CF) is cf_diagpath.
Dit bericht wordt weergegeven als u probeert de dbm-configuratieparameter cf_diagpath bij te werken met een ongeldig pad. Er is een ongeldige waarde voor cf_diagpath opgegeven in de opdracht UPDATE DATABASE MANAGER CONFIGURATION. Het bericht kan bijvoorbeeld worden weergegeven als er een niet-bestaand pad is opgegeven of als databasemanager geen schrijfmachtiging voor het opgegeven pad heeft.
Instructie voor gebruiker
Geef een geldige waarde voor cf_diagpath op en geef de opdracht opnieuw. Controleer of dit een geldig en volledig gekwalificeerd pad is.
sqlcode: -1565
sqlstate: 5U054
SQL1566N De UPDATE DATABASE MANAGER CONFIGURATION-opdracht is mislukt omdat de opgegeven waarde voor de configuratieparameter cf_diaglevel ongeldig is.
Verklaring
U kunt het niveau van de diagnosefouten, die in het bestand cfdiag.log worden vastgelegd, opgeven met de configuratieparameter cf_diaglevel van de databasemanager.
Dit bericht wordt weergegeven als er een ongeldige waarde voor cf_diaglevel is opgegeven in de opdracht UPDATE DATABASE MANAGER CONFIGURATION.
Instructie voor gebruiker
Geef een geldige waarde op voor cf_diaglevel en geef de opdracht opnieuw op.
sqlcode: -1566
sqlstate: 5U054
SQL1567N In deze omgeving kan geen exclusieve verbinding met één databasepartitie worden gemaakt
Verklaring
In een DB2 pureScale-omgeving wordt het maken van verbinding met één databasepartitie in de exclusieve modus niet ondersteund.
Instructie voor gebruiker
Geef de clausule ON SINGLE DBPARTITIONNUM niet op in de instructie CONNECT.
SQL1568N Het configuratiebestand van databasemanager is niet toegankelijk.
Verklaring
Er is een fout opgetreden bij een poging om toegang te verkrijgen tot het DBM-configuratiebestand. Dit bestand wordt gemaakt tijdens het maken van een subsysteem en is van cruciaal belang voor alle databasemanager-verwerking. Een ontoegankelijk DBM-configuratiebestand kan erop wijzen dat de installatie van het subsysteem niet volledig is of dat het subsysteem is beschadigd.
Dit bericht kan ook worden weergegeven als het bestandssysteem waarop het configuratiebestand van databasemanager zich bevindt, niet beschikbaar is. Als het gemeenschappelijke bestandssysteem bijvoorbeeld een IBM General Parallel File System (GPFS) is, kan het bericht worden weergegeven als de GPFS-cluster offline is.
De opdracht kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Reageer door de volgende probleemoplossingsstappen uit te voeren:
- Controleer of het gemeenschappelijke bestandssysteem waarin het DBM-configuratiebestand zich bevindt aangekoppeld is.
- Als het gemeenschappelijke bestandssysteem van het type GPFS is, controleert u als volgt of de bestandssysteemcluster niet gestopt is:
- Controleer de status van de gemeenschappelijke bestandssysteemcluster met de volgende opdracht:
db2cluster -cfs -list -host -state - Als een gemeenschappelijke bestandssysteemcluster wordt gestopt, start u de cluster weer met de volgende opdracht:
db2cluster -cfs -start -host <hostnaam>
- Controleer de status van de gemeenschappelijke bestandssysteemcluster met de volgende opdracht:
- Als het databasemanagersubsysteem recent is gemaakt, maakt u het systeem opnieuw met de opdracht db2icrt.
SQL1569N Er is een fout opgetreden bij de bewerking omdat in de opdracht of API ongeldige databasepartities zijn opgegeven.
Verklaring
Als dit bericht wordt weergegeven als gevolg van een backupbewerking, zijn de opgegeven databasepartities momenteel niet gedefinieerd in de database. Als dit bericht wordt weergegeven als gevolg van een rollforward-of herstelbewerking, is de clausule ON DBPARTITIONNUMS of ON DBPARTITIONNUM opgegeven en is er een ongeldig databasepartitienummer opgegeven. In andere omgevingen dan DPF-omgevingen kan alleen de huidige databasepartitie worden opgegeven.
Instructie voor gebruiker
Bij backupbewerkingen geeft u bestaande databasepartities op en geeft u de opdracht of API opnieuw. Bij rollforward- en herstelbewerkingen geeft u de opdracht of API opnieuw zonder dat u ON DBPARTITIONMUMS opgeeft. Geef alleen de huidige databasepartitie op.
sqlcode: -1569
sqlstate: 428A9
SQL1572N Er is een fout opgetreden bij de databaserollforward of herstelbewerking na de crash van een groep omdat de schijf vol is.
Verklaring
Als de situatie zich voordoet dat het logboek vol is tijdens een databaserollforward of een herstelbewerking na de crash van een groep, worden er automatisch meer logboeken toegewezen. In dit geval moeten er echter nieuwe logboeken worden toegewezen vanwege een tekort aan schijfruimte. De herstel- of rollforwardbewerking is mislukt.
Instructie voor gebruiker
Maak meer schijfruimte beschikbaar voor de herstelbewerking na groepscrash of de databaserollforward en geef de opdracht opnieuw.
De bewerking wordt mogelijk ook naar behoren uitgevoerd als deze wordt uitgevoerd op een ander lid. Dit gebeurt als volgt:
- Als de mislukte bewerking een herstelbewerking na de crash van een groep is, geven DB2-clusterservices automatisch de opdracht voor herstel na een groepscrash aan een ander lid. Als op het DB2 pureScale-subsysteem geen automatische herstelbewerking na groepscrashes is ingeschakeld, moet de herstelbewerking handmatig worden uitgevoerd op een ander lid.
- Als de mislukte bewerking een databaserollforward is, moet de rollforward-bewerking handmatig worden gestart op een ander lid.
SQL1573N De database kan niet worden geactiveerd of er kan geen verbinding mee worden gemaakt in de huidige subsysteemomgeving.
Verklaring
Dit bericht wordt in de volgende gevallen weergegeven:
- Als u probeert een database te activeren of er verbinding mee te maken terwijl deze niet is geverifieerd voor een DB2 pureScale-omgeving, maar u wel een DB2 pureScale-omgeving gebruikt.
- Als u probeert een database te activeren of er verbinding mee te maken terwijl deze is geverifieerd voor een DB2 pureScale-omgeving, maar u geen DB2 pureScale-omgeving gebruikt.
Deze twee acties worden niet ondersteund.
Instructie voor gebruiker
Als u een DB2 pureScale-omgeving gebruikt, kunt u het hulpprogramma db2checkSD gebruiken om te bepalen of de database in deze omgeving kan worden gebruikt. Als het hulpprogramma db2checkSD geen fouten rapporteert, activeert u de database weer of maakt u er weer verbinding mee.
sqlcode: -1573
sqlstate: 55001
SQL1575N De recentste poging om een DB2-lid toe te voegen of te verwijderen voor database dbnaam in deze DB2 pureScale-omgeving is mislukt.
Verklaring
Toevoegen of verwijderen van een DB2-lid (een topologiewijziging) in deze DB2 pureScale-omgeving zou database dbnaam een onherstelbare status geven.
Instructie voor gebruiker
Maak een backup of verwijder database dbnaam en herhaal de toevoegings- of verwijderingsbewerking voor het DB2-lid.
SQL1576N Er is een fout opgetreden bij het verwijderen van de database als gevolg van een fout in clusterbeheer.
Verklaring
Er is een fout in clusterbeheer opgetreden die zorgt dat de verwijderopdracht niet kan worden uitgevoerd.
Alle gegevensbestanden die bij de database horen zijn verwijderd. De locatiegegevens van de database zijn echter mogelijk niet verwijderd.
Instructie voor gebruiker
Schoon de databaseresources op die door clusterbeheer niet zijn verwijderd. Ga hiervoor als volgt te werk:
- Verzamel zo veel mogelijk diagnostische gegevens:
- Foutgegevens uit de SQLCA
- Bijbehorende fouten uit de db2diag-logboeken
- Voer de noodzakelijke correcties uit op basis van de retourcodes van clusterbeheer in de db2diag-logboeken.
- Verwijder handmatig de bijbehorende mountresources.
- Verwijder met de opdracht UNCATALOG DATABASE de locatiegegevens van de database uit de systeemdatabasedirectory.
Als het niet lukt om de databaseresources te verwijderen met deze procedure, neemt u contact op met IBM Support. Zorg dat u de volgende gegevens bij de hand hebt.
- Omschrijving van het probleem
- SQLCODE
- De inhoud van SQLCA, indien mogelijk
- Omgevingsgegevens van de client en server verzameld met de opdracht db2support
sqlcode: -1576
sqlstate: 5U056
SQL1577N Er is een fout opgetreden bij de opdracht START omdat de parameter STANDALONE is opgegeven en de huidige omgeving een DB2 pureScale-omgeving is.
Verklaring
De parameter STANDALONE wordt niet voor de opdracht START ondersteund in een DB2 pureScale-omgeving.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht opnieuw zonder de parameter STANDALONE op te geven.
SQL1578N Er is een fout opgetreden bij de opdracht START omdat de parameter RESTART is opgegeven en de huidige omgeving een DB2 pureScale-omgeving is.
Verklaring
De parameter RESTART wordt niet voor de opdracht START ondersteund in een DB2 pureScale-omgeving.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht opnieuw zonder de parameter RESTART op te geven.
SQL1579N Twee of meer logstromen voor database dbnaam op databasepartitie dbpartitienum volgen verschillende logreeksen. Logbesnatd bestand1 in logstroom stroom1 volgt logreeks reeks1 en logbestand bestand2 in logstroom stroom2 volgt logreeks reeks2.
Verklaring
Als een databaserollforward naar een tijdstipbewerking wordt voltooid of r een herstelbewerking wordt uitgevoerd zonder rollforward, wordt er een nieuwe historie voor de database gemaakt, een logreeks genaamd. DBM wijst logreeksnummers toe om vaste gebieden en andere databaseobjecten in een logboek op te slaan zodat gecontroleerd kan worden of de set objecten tot dezelfde databasehistorie behoort. DBM heeft vastgesteld dat twee of meer logstromen verschillende logreeksen volgen en heeft de huidige bewerking stopgezet.
Instructie voor gebruiker
Controleer de logstromen die in het bericht worden aangegeven en bepaal welke logstroom de juiste logreeks volgt. Haal de vereiste logbestanden op uit de ongeldige logstroom, plaats deze in een overlooplogpad en probeer de bewerking weer uit te voeren.
SQL1580W Bij de conversie van codetabel broncodetabel naar doelcodetabel zijn volgspaties verwijderd. De maximale grootte van het doelveld is maximumlengte. Het aantal brontekens is bronlengte en de hexadecimale weergave van de brontekenreeks is reeks.
Verklaring
Tijdens het uitvoeren van de SQL-instructie heeft de conversie van de codetabel geresulteerd in een reeks die langer is dan de maximaal toegestane lengte van het doelobject. De verwerking is voortgezet omdat alleen spaties zijn verwijderd.
Instructie voor gebruiker
Controleer of de uitvoerwaarde aan de verwachtingen voldoet en of de afkapping geen onverwachte gevolgen heeft.
sqlcode: +1580
sqlstate: 01004
SQL1581N De tabel tabelnaam kan niet in de werkstand APPEND staan en een clusterindex bevatten.
Verklaring
- Er bestaat een clusterindex voor een tabel en de instructie ALTER TABLE wordt gebruikt om te proberen de tabel in de werkstand APPEND te plaatsen.
- Er staat een tabel in de werkstand APPEND en CREATE INDEX wordt gebruikt om een clusterindex te maken.
Instructie voor gebruiker
Als een clusterindex noodzakelijk is, moet u de tabel wijzigen om de werkstand APPEND uit te schakelen. Als de werkstand APPEND gewenst is, verwijdert u de clusterindex die op de tabel bestaat.
sqlcode: -1581
sqlstate: 428CA
SQL1582N De PAGESIZE van de tabelruimte tabelruimtenaam komt niet overeen met de PAGESIZE van de bufferpool bufferpoolnaam die bij de tabelruimte hoort.
Verklaring
De waarde voor PAGESIZE die is opgegeven in de instructie CREATE TABLESPACE, komt niet overeen met de paginagrootte van de bufferpool die is opgegeven voor gebruik bij de tabelruimte. Deze waarden moeten op elkaar zijn afgestemd.
De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Wijzig de opgegeven waarde van PAGESIZE, zodat deze overeenkomt met de paginagrootte van de bufferpool, of wijzig de bufferpool, zodat dit er een wordt die een overeenkomende paginagrootte bevat.
sqlcode: -1582
sqlstate: 428CB
SQL1583N De waarde van de PAGESIZE paginagrootte wordt niet ondersteund.
Verklaring
De opgegeven PAGESIZE is een paginagrootte die niet wordt ondersteund. Ondersteunde paginagroottes zijn 4096, 8192, 16384, en 32768, maar u kunt ook de waarden 4 K, 8 K, 16 K of 32 K opgeven.
De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Geef een van de ondersteunde paginagrootten op.
sqlcode: -1583
sqlstate: 428DE
SQL1584N Een tijdelijke systeemtabelruimte met een paginagrootte van minimaal paginagrootte, is niet aangetroffen.
Verklaring
Een tijdelijke systeemtabelruimte is vereist voor verwerking van de instructie. Er is geen tijdelijke systeemtabelruimte beschikbaar met een paginagrootte van paginagrootte of meer.
De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Maak een tijdelijke systeemtabelruimte met een paginagrootte van minimaal paginagrootte.
sqlcode: -1584
sqlstate: 57055
SQL1585N Er kon geen tijdelijke tabel worden gemaakt omdat er geen tijdelijke tabelruimte voor het systeem beschikbaar is met een compatibele paginagrootte.
Verklaring
Tijdelijke tabelruimten bevatten tijdelijke gegevens die databasemanager vereist bij het uitvoeren van bewerkingen, zoals sorteerbewerkingen of joins, omdat deze activiteiten extra ruimte vereisen om de resultatenset te verwerken. Dit bericht wordt afgebeeld als databasemanager geen tijdelijke tabel kan maken, omdat het programma geen tabelruimte met een compatibele paginagrootte kan vinden die de status "normaal" heeft.
Dit bericht kan worden afgebeeld als een van de volgende situaties zich heeft voorgedaan:
- De rijlengte van de tijdelijke systeemtabel die wordt gegenereerd, is groter dan de beschikbare tijdelijke systeemtabelruimte met de hoogste paginagrootte die op dit moment de status "normaal" heeft.
- Het aantal kolommen dat is vereist in een tijdelijke systeemtabel, heeft de limiet van de grootste tijdelijke systeemtabelruimte in de database overschreden.
- Een tabelruimte kan offline zijn.
Instructie voor gebruiker
Voer de volgende stappen voor probleemoplossing uit.
- Bereken de vereiste grootte voor de tijdelijke tabelruimte.
- Bepaal of er een tijdelijke tabelruimte bestaat die de vereiste paginagrootte en de status "normaal" heeft, met behulp van de tabelfunctie MON_GET_TABLESPACE.
- Als een tabelruimte met de vereiste paginagrootte niet aanwezig is, maakt u een tijdelijke tabelruimte met de vereiste paginagrootte.
- Als een tabelruimte met de vereiste paginagrootte aanwezig is:
- Als de tabelruimte niet de status "normaal" heeft, wijzigt u de status voor de tabelruimte in "normaal". U kunt de tabelruimte bijvoorbeeld verwijderen en opnieuw maken.
- Als de tabelruimte de status "normaal" heeft, voert u een van de volgende stappen uit:
- Verwijder een of meer kolommen uit de tijdelijke systeemtabel.
- Maak indien nodig aparte tabellen of views voor de extra gegevens boven de limietwaarde.
sqlcode: -1585
sqlstate: 54048
SQL1586N De instructie is niet uitgevoerd omdat de interpretatie door de querycompiler van de tekstzoekfunctie in de instructie is mislukt.
Verklaring
Er zijn enkele zeldzame situaties waarin tekstzoekfuncties niet door het compileerprogramma van de query kunnen worden omgezet. Een voorbeeld van een dergelijke situatie is de toepassing van een tekstzoekfunctie op een kolom van de NULL-producer van een OUTER JOIN.
Dit bericht verschijnt wanneer het compileerprogramma van de query niet in staat is om de tekstzoekfuncties om te zetten.
De instructie is niet uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Er is geen actie door de gebruiker vereist. De opgegeven instructie kan niet worden uitgevoerd.
SQL1587N Er is een fout opgetreden bij de opdracht of instructie omdat er momenteel een CF op de host staat waarvoor de opdracht of instructie is uitgevoerd. Opdracht- of instructietype: opdracht-instructiecode. Hostnaam: host.
Verklaring
Er zijn enkele DB2-opdrachten (bijvoorbeeld "ATTACH") en SQL-instructies (bijvoorbeeld "CONNECT") die niet kunnen worden uitgevoerd op een host waarop zich een DB2-clustercachevoorziening (CF) bevindt. Dit bericht kan worden weergegeven als deze opdrachten of instructies expliciet of impliciet zijn opgegeven.
De token opdracht-instructiecode geeft aan welk type opdracht of SQL-instructie is opgegeven.
- 1
Expliciet of impliciet CONNECT TO <databasealias>
- 2
Expliciet of impliciet ATTACH TO <subsysteemalias>
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit bericht reageren:
- Geef de opdracht opnieuw of voer de instructie nogmaals uit voor een host waarop zich geen CF bevindt. U doet dit als volgt:
- Zoek een host waarop momenteel geen CF aanwezig is. Gebruik de volgende opdracht:
db2instance -list - Meld u aan bij een host waarop momenteel geen CF aanwezig is.
- Geef de DB2-opdracht opnieuw of voer de SQL-instructie nogmaals uit.
- Zoek een host waarop momenteel geen CF aanwezig is. Gebruik de volgende opdracht:
- Geef een host op waarop momenteel geen CF aanwezig is. Gebruik een van de volgende methoden:
- Gebruik de omgevingsvariabele DB2NODE om het lid aan te geven en geef de DB2-opdracht opnieuw of voer de SQL-instructie nogmaals uit.
- Gebruik de optie CONNECT_MEMBER of ATTACH_MEMBER van de opdracht Set Client bij de DB2-opdracht of SQL-instructie.
sqlcode: -1587
sqlstate: 560CW
SQL1588N Fout sqlcode op lid lid-ID voorkomt verwerking van de huidige instructie.
Verklaring
Het huidige lid kan pas gegevenswijzigingsinstructies verwerken als de situatie die de fout sqlcode op lid lid-ID veroorzaakt is opgelost. De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Het runtime token, sqlcode, geeft de geretourneerde onderliggende sqlcode aan.
Instructie voor gebruiker
Probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Als de fout blijft bestaan, lost u het probleem op en probeert u het opnieuw.
sqlcode: -1588
sqlstate: 57063
SQL1589N De databaseverbinding is mislukt omdat een resourcelimiet van het besturingssysteem is bereikt.
Verklaring
Dit bericht kan worden geretourneerd wanneer er meer dan 1024 gelijktijdige lokale databaseverbindingen zijn en als gevolg daarvan een besturingssysteemlimiet is bereikt. Op AIX-besturingssystemen kunnen maximaal 1024 door één proces of toepassing tot stand gebrachte lokale databaseverbindingen gelijktijdig bestaan.
Dit bericht kan ook worden geretourneerd wanneer in de databasemanager een interne fout optreedt tijdens de aanroep van besturingssysteemroutines.
Instructie voor gebruiker
Sluit alle ongebruikte lokale databaseverbindingen.
Als het probleem na afsluiting van lokale databaseverbindingen is opgelost, voorkom dan dat deze fout opnieuw optreedt door uw toepassingen zo aan te passen dat er minder lokale verbindingen gelijktijdig worden gebruikt. Als voor uw toepassingen een groot aantal databaseverbindingen vereist zijn, gebruik dan geen lokale verbindingen maar in plaats daarvan externe verbindingen (of loopbackverbindingen wanneer databaseserver en -client zich op dezelfde machine bevinden) met behulp van TCP/IP.
Als het probleem na vermindering van het aantal lokale verbindingen niet is opgelost, neem dan contact op met IBM Software Support voor hulp bij het zoeken van de oorzaak van het probleem.
sqlcode: -1589
sqlstate: 54067
SQL1590N De velden LONG VARCHAR en LONG VARGRAPHIC zijn niet toegestaan in een TABLESPACE die is gemaakt met een DEVICE.
Verklaring
Voor apparatuur (raw I/O) op HP is I/O-bytealignment op veelvouden van 1024 bytes vereist. De velden LONG VARCHAR en LONG VARGRAPHIC worden verwerkt in brokstukken van 512 bytes, en zodoende kunnen deze alleen worden gebruikt in de SYSTEM MANAGED TABLESPACE's of DATABASE MANAGED TABLESPACE's met alleen FILE-containers.
Instructie voor gebruiker
- Kies een van de kolomtypen LOB (BLOB,CLOB,DBCLOB) in plaats van het type LONG.
- Gebruik een tabelruimte met de juiste kenmerken.
sqlcode: -1590
sqlstate: 56097
SQL1592N De optie INCREMENTAL is ongeldig met oorzaakcode oorzaakcode omdat de tabel tabelnaam niet incrementeel verwerkt kan worden.
Verklaring
De oorzaak wordt als volgt aangeduid door de oorzaakcode oorzaakcode:
- 32
De tabel is geen opgebouwde querytabel met REFRESH IMMEDIATE, geen opgebouwde querytabel met REFRESH DEFERRED en ondersteunende stagingtabel, en ook geen stagingtabel met PROPAGATE IMMEDIATE.
- 33
Als de tabel een opgebouwde querytabel is of een stagingtabel, heeft een LOAD REPLACE of een LOAD INSERT plaatgevonden.
- 34
De opdracht LOAD REPLACE is opgegeven nadat de tabel voor het laatst is gecontroleerd op integriteit.
- 35
Dit kan een van de volgende oorzaken hebben:
- De opgebouwde querytabel of de verzameltabel is opnieuw gemaakt. De eerste maal daarna dat de integriteit van de tabel wordt gecontroleerd, is een volledige verwerking vereist.
- Er is een nieuwe voorwaarde toegevoegd aan de tabel zelf of de oudertabellen (of de onderliggende tabel als het een opgebouwde querytabel of stagingtabel betreft), terwijl de status Set Integrity Pending van kracht was.
- Als het een opgebouwde querytabel betreft, is nadat de laatste vernieuwing heeft plaatsgevonden de opdracht LOAD REPLACE gegeven in een van de onderliggende tabellen van deze tabel.
- Als het een opgebouwde querytabel betreft, is voor ten minste één onderliggende tabel geforceerde volledige toegang opgegeven (via de optie FULL ACCESS) voordat de opgebouwde querytabel is vernieuwd.
- Als het een stagingtabel betreft, is voor ten minste één onderliggende tabel geforceerde volledige toegang opgegeven (via de optie FULL ACCESS) voordat de stagingtabel is gedistribueerd.
- Als het een uitgestelde opgebouwde querytabel betreft en de bijbehorende stagingtabel de status 'Onvolledig' heeft.
- Sommige oudertabellen (of onderliggende tabellen voor opgebouwde querytabellen of stagingtabellen) zijn niet-incrementeel gecontroleerd op integriteit.
- Voor de upgrade van de database had de tabel de status 'Set Integrity Pending'. Er is volledige verwerking vereist wanneer de tabel na de database-upgrade voor de eerste keer wordt gecontroleerd op integriteit.
- De tabel heeft de status 'Set Integrity Pending' gekregen tijdens een ROLLFORWARD-bewerking.
Instructie voor gebruiker
Geef de optie INCREMENTAL niet op. Het systeem controleert de gehele tabel op schending van de voorwaarden en in het geval van een opgebouwde querytabel, wordt de definitiequery van deze tabel opnieuw berekend.
sqlcode: -1592
sqlstate: 55019
SQL1594W De integriteit van niet-incrementele gegevens wordt niet gecontroleerd door Database Manager.
Verklaring
De tabel is nog niet eerder gecontroleerd. Wanneer de optie NOT INCREMENTAL niet is opgegeven, wordt een incrementele controle van de tabel uitgevoerd. Het deel van de tabel dat niet eerder is gecontroleerd, blijven ongecontroleerd en de bijbehorende waarden in de kolom CONST_CHECKED blijven gemarkeerd als 'U'.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist. Om de integriteit van eerder ongecontroleerde gegevens te controleren en te zorgen dat het systeem de integriteit van de gegevens in de tabel controleert, geeft u de opdracht SET INTEGRITY op met de optie OFF. Hierdoor krijgt de tabel de status Set Integrity Pending. U kunt hierna de opdracht SET INTEGRITY opgeven met de opties IMMEDIATE CHECKED en NOT INCREMENTAL.
sqlcode: +1594
sqlstate: 01636
SQL1596N WITH EMPTY TABLE kan niet worden opgegeven voor tabelnaam.
Verklaring
De clausule WITH EMPTY TABLE kan niet voor tabel tabelnaam worden opgegeven omdat de tabel voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
- De tabel is een opgebouwde querytabel of een stagingtabel.
- De tabel heeft een afhankelijke, onmiddellijke opgebouwde querytabel voor vernieuwing of een afhankelijke, onmiddellijke stagingtabel voor distributie.
- De tabel is het bovenliggende item van een verwijzingsvoorwaarde.
- De tabel heeft gekoppelde gegevenspartities die nog niet zijn gecontroleerd op inbreuk op beperkende voorwaarden.
- De instructie ALTER TABLE is eerder uitgevoerd voor de tabel, waarbij de clausule DETACH PARTITION is opgegeven, en deze asynchrone loskoppeling is niet voltooid. Er zijn gegevenspartities in deze tabel die nog de status Logisch losgekoppeld hebben (SYSCAT.DATAPARTITIONS.STATUS = 'L').
De clausule WITH EMPTY TABLE kan niet worden opgegeven wanneer u zo'n tabel wijzigt in ACTIVATE NOT LOGGED INITIALLY.
De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Als de tabel geen logisch losgekoppelde tabel heeft, geeft u de instructie ALTER TABLE op zonder de clausule WITH EMPTY TABLE.
Als de tabel een logisch losgekoppelde tabel heeft, gaat u als volgt te werk:
- Wacht tot de loskoppelingstaak voor de asynchrone partitie is voltooid.
U kunt de voortgang van de loskoppelingstaak op de volgende manieren volgen:
- Volg de voortgang van de loskoppelingstaak met de opdracht LIST UTILITIES en en zoek de beschrijving met de brontabel tabelnaam.
- Controleer in de catalogusview SYSCAT.DATAPARTITIONS of er gegevenspartities met de status Logisch losgekoppeld zijn. Bij gegevenspartities die nog logisch losgekoppeld zijn, is een 'L' vermeld in de kolom STATUS.
- Voer de instructie ALTER TABLE opnieuw uit.
sqlcode: -1596
sqlstate: 42928
SQL1597N Configureren van de DB2-omgeving is mislukt omdat de opgegeven DB2-configuratieparameter niet meer wordt gebruikt.
Verklaring
De databaseconfiguratieparameters LOGRETAIN en USEREXIT zijn verwijderd.
Logboekbewaartermijnen en het gebruik van userexitprogramma's voor het archiveren en ophalen van de bestanden wordt nog steeds ondersteund. Om een database te configureren voor het gebruik van logboekbewaartermijnen en userexitprogramma's kunt u werken met de databaseconfiguratieparameter LOGARCHMETH1.
Instructie voor gebruiker
Om logboekbewaartermijnen in te schakelen, stelt u de databaseconfiguratieparameter LOGARCHMETH1 in op LOGRETAIN.
Om logboekbewaartermijnen in te schakelen en om aan te geven dat een userexitprogramma moet worden gebruikt voor het archiveren en ophalen van de logboekbestanden, stelt u de databaseconfiguratieparameter LOGARCHMETH1 in op USEREXIT.
SQL1598N Er kan geen verbinding worden gemaakt met de databaseserver vanwege een licentieprobleem.
Verklaring
Dit bericht kan in de volgende gevallen worden afgebeeld:
- Bij rechtstreekse verbinding met de databaseserver met behulp van IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z
Als u IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z gebruikt om rechtstreeks verbinding te maken met de databaseserver, wordt dit bericht geretourneerd wanneer op het DB2 for z/OS-subsysteem niet een geldige licentie is geactiveerd.
- Bij rechtstreekse verbinding met de databaseserver met behulp van een andere versie van IBM DB2 Connect dan IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z
Als u een andere versie gebruikt dan IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z voor de rechtstreekse verbinding met een databaseserver, wordt dit bericht geretourneerd wanneer op de clientcomputer niet een geldige licentie is aanwezig is.
- Bij verbinding met een databaseserver via een DB2 Connect-gatewayserver
Als u verbinding maakt met een databaseserver via een DB2 Connect-gatewayserver, wordt dit bericht geretourneerd wanneer op de DB2 Connect-gatewayserver niet een geldige aanwezig is.
Instructie voor gebruiker
Afhankelijk van het voor uw situatie geldende scenario, reageert u als volgt op dit bericht:
- Bij rechtstreekse verbinding met de databaseserver met behulp van IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z
Als u IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z gebruikt om rechtstreeks verbinding te maken met de databaseserver, activeert u de licentie door het activeringsprogramma in de activeringskit uit te voeren.
- Bij rechtstreekse verbinding met de databaseserver met behulp van een andere versie van IBM DB2 Connect dan IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z
Als u een andere versie gebruikt dan IBM DB2 Connect Unlimited Edition for System z voor de rechtstreekse verbinding met een databaseserver, controleert u of op uw clientcomputer een DB2 Connect-product en een geldige licentiecode zijn geïnstalleerd.
- Bij verbinding met een databaseserver via een DB2 Connect-gatewayserver
Als u verbinding maakt met een databaseserver via een DB2 Connect-gatewayserver, controleert u of op de gatewayserver een geldige licentie is geïnstalleerd.
sqlcode: -1598
sqlstate: 42968
SQL1599N Er kan geen openbare alias worden gemaakt omdat de omgeving is geconfigureerd voor SAP.
Verklaring
U kunt de DB2-omgeving configureren voor SAP door de systeemvariabele DB2_WORKLOAD in te stellen op de waarde SAP.
U kunt verwijzen naar objecten buiten het lokale schema met behulp van openbare aliassen, ook wel openbare synoniemen genoemd. U maakt de openbare aliassen met de instructie CREATE PUBLIC ALIAS.
Openbare aliassen worden niet ondersteund in een DB2-omgeving die voor SAP is geconfigureerd. Dit bericht wordt geretourneerd wanneer wordt geprobeerd een openbare alias te maken wanneer de systeemomgevingsvariabel DB2_WORKLOAD de waarde SAP heeft.
Er zijn verschillende manieren om naar objecten buiten het lokale schema te verwijzen zonder dat u openbare aliassen moet maken, bijvoorbeeld met behulp van de volledige namen, of door lokale aliassen te maken. In de volgende voorbeelden heeft het lokale schema de naam "schemaA" en is er een tabel met de naam "tableX" aanwezig in een ander schema met de naam "schemaB".
- Voorbeeld 1: Met volledige namen
U kunt naar tableX verwijzen met een volledige naam:
select * from schemaB.tableX- Voorbeeld 2: Met een lokale alias
U kunt naar tableX verwijzen door eerst een lokale alias te maken:
create alias AX for table schemaB.tableX select * from AX
Instructie voor gebruiker
In plaats van openbare aliassen te maken, kunt u naar databaseobjecten buiten het lokale schema verwijzen met behulp van volledige namen of door lokale aliassen te maken.
sqlcode: -1599
sqlstate: 42612
SQL1600N De opslaggroep opslaggroep kan niet worden verwijderd omdat het de standaard opslaggroep is.
Verklaring
DROP STOGROUP kan niet worden verwerkt omdat naam-opslaggroep de actuele standaard opslaggroep is.
De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Voordat u de actuele standaard opslaggroep verwijdert, stelt u een nieuwe standaard opslaggroep in met behulp van de instructieALTER STOGROUP.
sqlcode: -1600
sqlstate: 42893
SQL1601N De invoerparameter parameter van de databasesysteemmonitor is een nullpointer.
Verklaring
De gebruiker heeft een API aangeroepen voor de systeemmonitor van de database en heeft een nullpointer opgegeven in plaats van de vereiste parameter.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
De opdracht moet opnieuw worden opgegeven door de gebruiker, met een geldige parameterwaarde.
SQL1602N Een objecttype dat is opgegeven voor de structuur van de invoergegevens (sqlma), wordt niet ondersteund.
Verklaring
Een objecttype dat is opgegeven in het variabele gegevensgebied van de invoergegevensstructuur (sqlma) voor de momentopname-API in de systeemmonitor van de database, wordt niet ondersteund.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht opnieuw op met een geldig objecttype.
SQL1603N De parameter parameter is niet opgegeven in de structuur van de invoergegevens (sqlma).
Verklaring
Een vereiste parameter is niet opgegeven in de structuur van de invoergegevens (sqlma) van de API voor de momentopname van de database-systeemmonitor of van de API voor buffergrootteschatting.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
De gebruiker moet de opdracht opnieuw opgeven, met een geldige waarde voor de parameter.
SQL1604N De parameter parameter wordt niet afgebroken met een nullwaarde.
Verklaring
Aan het einde van een tekenreeksparameter wordt een nullteken verwacht.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
Voeg een nullteken toe aan het einde van de tekenreeksparameter, en geef de opdracht opnieuw op.
SQL1605W De database databasealias is niet actief.
Verklaring
Er is een API RESET aangeroepen voor de systeemmonitor van een bepaalde database, maar deze database is niet actief.
De opdracht is voltooid, maar er is geen actie uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Controleer of de databasealias juist is en of de database is gestart.
SQL1606W De uitvoerbuffer voor de systeemmonitor van de database is vol.
Verklaring
Het veld voor de uitvoerbuffer van de databasesysteemmonitor is niet groot genoeg voor de teruggezonden gegevens. De meest waarschijnlijke oorzaken zijn: een intensieve systeemactiviteit op het moment dat de aanroep is gedaan, of, in het geval van een aanroep voor een databasemonitor-API binnen een gebruikerstoepassing, een door de gebruiker toegewezen buffer die te klein is om de teruggezonden gegevens te bevatten.
De voltooiing van de opdracht is geslaagd, en de gegevens die zijn verzameld vóór de bufferoverloop, zijn teruggezonden naar de buffer van de gebruiker.
Instructie voor gebruiker
De gebruiker moet de opdracht opnieuw opgeven of, in het geval van een aanroep voor een databasemonitor-API binnen een gebruikerstoepassing, een grotere buffer toewijzen of de hoeveelheid vereiste gegevens verkleinen.
SQL1607N Er is niet voldoende werkgeheugen voor de uitvoering van de functie van de databasesysteemmonitor.
Verklaring
Database Manager heeft onvoldoende werkgeheugen beschikbaar voor verwerking van de opdracht voor de databasesysteemmonitor.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
Verklein de buffergrootte in de invoerparameter en geef de opdracht opnieuw op.
SQL1608W Twee of meer databasealiassen die zijn opgegeven bij invoer, verwijzen naar dezelfde database.
Verklaring
Er heeft een aanroep plaatsgevonden van de API voor momentopname van de databasesysteemmonitor of van de API voor schatting van de buffergrootte, waarin dezelfde opdracht is opgegeven voor twee of meer databasealiassen in de sqlma-structuur van invoergegevens, die naar dezelfde database verwijzen.
De uitvoering door de systeemmonitor van de database is geslaagd, maar er is slechts een exemplaar van uitvoerbuffergegevens teruggestuurd.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist. Als u gegevens van verschillende databases had verwacht, moet u controleren of de opgegeven databasealiassen juist zijn.
SQL1609N De database db-alias is een database op afstand en kan niet worden bewaakt.
Verklaring
Er is een API-aanroep gedaan voor een systeemmonitor van de database, waarin een databasealias is opgegeven voor een database op afstand. De systeemmonitor van de database ondersteunt geen bewaking van databases op afstand.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
De gebruiker moet controleren of de opgegeven databasealias juist is, en de opdracht opnieuw opgeven met de juiste databasealias.
SQL1610N De invoerparameter parameter voor de systeemmonitor van de database is ongeldig.
Verklaring
De gebruiker heeft een API voor een systeemmonitor van de database aangeroepen, en heeft een ongeldige waarde voor de opgegeven parameter opgegeven.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
De opdracht moet opnieuw worden opgegeven door de gebruiker, met een geldige parameterwaarde.
SQL1611W Er zijn geen gegevens teruggezonden door de systeemmonitor van de database.
Verklaring
Er is geen door de gebruikers aangevraagde bewakingsinformatie beschikbaar op het moment dat de API-aanroep voor een systeemmonitor van de database is opgegeven. Dit verschijnsel kan optreden wanneer de aangevraagde database of toepassing inactief is, of wanneer een bewakingsgroep, bijvoorbeeld de tabelgroep, UIT staat en er tabelinformatie is aangevraagd.
Instructie voor gebruiker
De opdracht is voltooid, maar er zijn geen gegevens teruggezonden naar de gebruiker.
De gebruiker moet controleren of de databases of toepassingen waarvoor bewaking gewenst is, actief zijn op het moment dat een API-aanroep voor een systeemmonitor van de database wordt gedaan, en of de gewenste bewakingsgroepen actief zijn.
SQL1612N Het opgegeven doelpad voor de eventmonitor is ongeldig.
Verklaring
Het doelpad dat is opgegeven in de instructie CREATE EVENT MONITOR is geen geldig pad. De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
Geef de instructie opnieuw op met het juiste doelpad voor een eventmonitor.
sqlcode: -1612
sqlstate: 428A3
SQL1613N De opgegeven optie voor eventmonitor is ongeldig.
Verklaring
- De waarde voor MAXFILES, MAXFILESIZE of BUFFERSIZE, die is opgegeven, is te laag.
- MAXFILESIZE is kleiner dan BUFFERSIZE.
- MAXFILESIZE NONE is opgegeven, terwijl MAXFILES niet gelijk is aan 1.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
Geef de instructie opnieuw op met de gecorrigeerde opties voor de eventmonitor.
sqlcode: -1613
sqlstate: 428A4
SQL1614N Er is een I/O-fout opgetreden bij het activeren van een eventmonitor. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
- 1
- Er is een onbekend doeltype voor de eventmonitor aangetroffen.
- 2
- Het doelpad voor de eventmonitor is niet aangetroffen.
- 3
- De toegang tot het doelpad voor de eventmonitor is afgewezen.
- 4
- Het doelpad voor de eventmonitor is geen pipenaam.
- 5
- Er is geen proces dat de doelpipe van de eventmonitor heeft geopend voor lezen.
- 6
- Er is een onverwachte I/O-fout aangetroffen.
Instructie voor gebruiker
Verhelp, waar mogelijk, het probleem dat in de oorzaakcode wordt beschreven en geef de instructie SET EVENT MONITOR opnieuw op.
sqlcode: -1614
sqlstate: 58030
SQL1615W De opgegeven eventmonitor of gebruikslijst heeft al de aangevraagde status.
Verklaring
Er is een poging gedaan een eventmonitor of gebruikslijst te activeren die al actief is, of een eventmonitor of gebruikslijst uit te schakelen die al inactief is. De SET EVENT MONITOR- of SET USAGE LIST-instructie is genegeerd.
In een gepartitioneerde databaseomgeving of een DB2 pureScale-omgeving heeft de gebruikslijst voor een of meer leden al de gevraagde status. Gebruikslijsten die bij het opgeven van de instructie nog niet de gevraagde status hebben, krijgen nu de gevraagde status.
Als de instructie is opgegeven voor een gebruikslijst voor een gepartitioneerde tabel of index, heeft de gebruikslijst van een of meer gegevenspartities al de gevraagde status. Gebruikslijsten die bij het opgeven van de instructie nog niet de gevraagde status hebben, krijgen nu de gevraagde status.
Instructie voor gebruiker
Er is geen actie door de gebruiker vereist.
sqlcode: +1615
sqlstate: 01598
SQL1616N De limiet op het maximumaantal actieve eventmonitors is al bereikt.
Verklaring
Per databasepartitie kunnen maximaal 128 eventmonitors tegelijkertijd actief zijn.
In een databaseomgeving die u meerdere partities bestaat, kunnen maximaal 32 GLOBAL-eventmonitors tegelijkertijd per database actief zijn.
Een van deze limieten is al bereikt. De opgegeven eventmonitor kan niet worden geactiveerd.
Instructie voor gebruiker
Als dit mogelijk is, schakelt u een van de actieve eventmonitors uit, en geeft u de instructie SET EVENT MONITOR opnieuw op. Gebruik de volgende query om alle actieve eventmonitors te bepalen en om na te gaan of deze GLOBAL zijn:
SELECT EVMONNAME, MONSCOPE FROM SYSCAT.EVENTMONITORS WHERE EVENT_MON_STATE(EVMONNAME) = 1
sqlcode: -1616
sqlstate: 54030
SQL1617N De opgegeven eventmonitor heeft de limiet voor MAXFILES en MAXFILESIZE al bereikt.
Verklaring
De opgegeven eventmonitor is gemaakt met een limiet voor de hoeveelheid gegevens die is toegestaan in de doeldirectory van de eventmonitor. Deze limiet is al bereikt. De opgegeven eventmonitor kan niet worden geactiveerd.
Instructie voor gebruiker
Als dit mogelijk is, verwijdert u een aantal gegevensbestanden van de eventmonitor uit de doeldirectory en geeft u de instructie SET EVENT MONITOR opnieuw op.
sqlcode: -1617
sqlstate: 54031
SQL1618N Het doelpad van de opgegeven eventmonitor wordt gebruikt door een andere eventmonitor.
Verklaring
De opgegeven eventmonitor is gemaakt met hetzelfde doelpad als een andere eventmonitor. Deze andere eventmonitor is ten minste eenmaal geactiveerd, en heeft EVT- en/of CTL-bestanden achtergelaten in het doelpad. Het is mogelijk dat deze bestanden worden gebruikt door toepassingen die de eventinformatie van de bestanden lezen.
Instructie voor gebruiker
Als de andere eventmonitor op dit moment actief is, schakelt u deze uit. Nadat u zich ervan hebt verzekerd dat er geen toepassingen zijn die bestanden gebruiken die de uitgeschakelde eventmonitor heeft gemaakt in het doelpad, verwijdert u de bestanden. Vervolgens geeft u de instructie SET EVENT MONITOR opnieuw op.
U kunt ook de aangevraagde eventmonitor opnieuw maken, waarbij u een ander doelpad opgeeft, en vervolgens de instructie SET EVENT MONITOR opnieuw opgeven.
sqlcode: -1618
sqlstate: 51026
SQL1619N De actieve eventmonitor kan niet worden verwijderd met DROP.
Verklaring
De opgegeven eventmonitor is op dit moment actief en kan dus niet worden verwijderd.
Instructie voor gebruiker
Schakel de eventmonitor uit en geef de instructie DROP EVENT MONITOR opnieuw op.
sqlcode: -1619
sqlstate: 55034
SQL1620N Het is niet mogelijk de eventmonitor leeg te maken. Oorzaakcode oc.
Verklaring
De eventmonitor kan niet leeg worden gemaakt. De mogelijke oorzaken worden aangegeven met de volgende oorzaakcodes:
- 1
De eventmonitor is niet actief.
- 2
De eventmonitor wordt uitgevoerd met een uitvoerlevel van een versie ouder dan versie 6, en in deze versie was FLUSH nog niet beschikbaar.
- 3
Het leegmaken is op bepaalde databasepartities gelukt, maar is op minimaal één databasepartitie mislukt.
- 4
De databasepartitie heeft de status write-suspended.
Instructie voor gebruiker
Bij de verschillende oorzaakcodes horen de volgende acties:
- 1
Controleer of de eventmonitor actief is en geef zo nodig de instructie SET EVENT MONITOR naam-eventmonitor STATE 1 op om de eventmonitor te activeren.
- 2
Als de eventmonitor wordt uitgevoerd met een uitvoerlevel van een versie ouder dan versie 6, moet u niet proberen om de eventmonitor leeg te maken.
- 3
Als het leegmaken op minimaal één databasepartitie is mislukt, lijk dan in het logboekbestand db2diag of er probes zijn van de routines sqlm_bds_flush_monitor of sqlm_bds_flush_monitor_hdl die aangeven welke partitie er problemen heeft met het leegmaken van de eventmonitor en neem de nodige maatregelen (zorg er bijvoorbeeld voor dat er voldoende monitorheap voor die partitie is, en controleer voor een write-to-table eventmonitor of de tabelruimte op die partitie voldoende ruimte heeft). Daarna moet u de eventmonitor deactiveren en weer activeren. Dat kan met de volgende instructies:
SET EVENT MONITOR naam-eventmonitor STATE 0 SET EVENT MONITOR naam-eventmonitor STATE 1- 4
Schakel de hervatting van schrijfbewerkingen op de databasepartitie in door de opdracht SET WRITE met de parameter RESUME op te geven.
sqlcode: -1620
sqlstate: 55034
SQL1621N Op de transactie waarin de opgegeven eventmonitor of gebruikslijst is gemaakt, is nog geen COMMIT uitgevoerd. De eventmonitor of gebruikslijst kan niet worden geactiveerd.
Verklaring
Een eventmonitor of gebruikslijst kan pas worden geactiveerd als er een COMMIT is uitgevoerd op de transactie waarin de monitor is gemaakt.
Instructie voor gebruiker
Voer een COMMIT uit op de transactie waarin de eventmonitor of gebruikslijst is gemaakt en geef vervolgens de instructie SET EVENT MONITOR of SET USAGE LIST opnieuw op.
sqlcode: -1621
sqlstate: 55033
SQL1622N De waarde voor STATE die is opgegeven in de instructie SET EVENT MONITOR STATE of de instructie SET USAGE LIST STATE is ongeldig.
Verklaring
De waarde voor STATE die is opgegeven in de instructie SET EVENT MONITOR STATE of de instructie SET USAGE LIST STATE ligt niet binnen het bereik van geldige waarden of de waarde is NULL als gevolg van een indicatorvariabele.
Geldige waarden voor de eventmonitorstatus zijn de volgende:
- 0
eventmonitor uitschakelen
- 1
eventmonitor activeren
Geldige waarden voor de gebruikslijststatus zijn de volgende:
- ACTIVE
de gebruikslijst activeren
- INACTIVE
de gebruikslijst deactiveren
- RELEASED
het geheugen voor de gebruikslijst vrijgeven
De instructie kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Corrigeer de waarde voor de status van de eventmonitor of gebruikslijst en/of eventuele indicatorvariabelen en geef de instructie opnieuw op.
sqlcode: -1622
sqlstate: 42815
SQL1623N De sqlmonsz-API of sqlmonss-API is aangeroepen met te veel objecten in de sqlma-invoerstructuur.
Verklaring
De limiet die is gesteld voor het aantal toegestane objecten in de sqlma-invoerstructuur, is overschreden.
Instructie voor gebruiker
Verklein het aantal objecten in de sqlma-parameter en probeer de aanroep opnieuw.
SQL1624N Alle databases waarnaar wordt verwezen door sqlmonsz-API of sqlmonss-API, moeten zich op hetzelfde knooppunt bevinden.
Verklaring
De sqlma-parameter bevat verwijzingen naar databases die deel uitmaken van verschillende knooppunten.
Instructie voor gebruiker
Wijzig de sqlma-parameter zodat alle database-objecten naar hetzelfde knooppunt verwijzen, en probeer de aanroep vervolgens opnieuw.
SQL1625W Met de monitor kan niet worden geconverteerd van codetabel bron naar codetabel doel. Deze conversie is geprobeerd voor gegevens die betrekking hebben op het type type.
Verklaring
- instructietekst
- dcs-toepassing
- toepassing
- tabel
- vergrendelingen
- tabelruimte
- De combinatie van bron- en doelcodetabel wordt niet ondersteund door Database Manager.
- De combinatie van bron- en doelcodetabel wordt niet ondersteund door de tekenconversie-voorziening op het serverknooppunt.
Deze situatie kan zich voordoen wanneer met de monitor wordt geprobeerd gegevens te converteren die betrekking hebben op een database, waarvan de codetabel incompatibel is met die van de bewakingstoepassing.
Instructie voor gebruiker
Raadpleeg de documentatie van uw besturingssysteem voor een lijst met ondersteunde conversies en zorg ervoor dat de juiste worden geïnstalleerd en toegankelijk zijn voor Database Manager.
Als dit mogelijk is, zorgt u dat de database en de bewakingstoepassing gebruikmaken van dezelfde codetabel.
SQL1626W Er is overloop ontstaan tijdens de conversie van codetabel bron naar codetabel doel. De grootte van het doelgebied is maximumlengte, de gegevens hebben betrekking op type type en de eerste acht tekens zijn gegevens.
Verklaring
- instructietekst
- dcs-toepassing
- toepassing
- tabel
- vergrendelingen
- tabelruimte
De monitor kan de gegevens niet converteren vanwege ruimtebeperkingen. De gegevens worden in hun oorspronkelijke vorm bewaard.
Instructie voor gebruiker
Als dit mogelijk is, zorgt u dat de database en de bewakingstoepassing gebruikmaken van dezelfde codetabel.
SQL1627W Er is een API-aanvraag gedaan voor een momentopname op het niveau van de zichzelf beschrijvende gegevensstroom, maar de server heeft alleen een momentopname teruggezonden met de structuurindeling in vaste grootte.
Verklaring
Hoewel de toepassing die de aanvraag voor een momentopname heeft gedaan, dit deed met het versielevel SQLM_DBMON_VERSION6 of een nieuwere versie, heeft de server een momentopname teruggezonden met een gegevensview van een lager niveau.
Instructie voor gebruiker
In de momentopname-indeling met zichzelf beschrijvende gegevens (DB2 versie 6 en latere versies), wordt de verzamelde informatie, inclusief het serverniveau, teruggezonden als onderdeel van de gegevensstroom van de momentopname. In de DB2-niveaus van de versies ouder dan versie 6, wordt de verzamelde informatie over de momentopname teruggezonden in een sqlm_collected-structuur. U moet de sqlm_collected-structuur gebruiken en de oude methode van verwerking van gegevensstromen om de gegevensstroom van deze momentopname te analyseren.
SQL1628W Niet alle resultaten van een get switches-bewerking op afstand zijn teruggezonden omdat de uitvoerbuffer vol is. Om de volledige resultaten op te halen, moet u een buffer met een minimumgrootte van grootte bytes gebruiken.
Verklaring
De uitvoerbuffer in kwestie was niet groot genoeg om alle beschikbare switch-gegevens terug te zenden. De monitor heeft met deze uitvoerbuffer zo veel mogelijk gegevens teruggezonden.
Instructie voor gebruiker
Wijs een grotere gegevensbuffer toe en verzendt de switch-opdracht opnieuw.
SQL1629W Een momentopname-bewerking op afstand is mislukt op knooppunt of knooppunten knooppuntenlijst, met oorzaakcode of -codes oorzaaklijst.
Verklaring
- 1
- FCM kon niet communiceren met het doelknooppunt wegens een knooppuntstoring of een communicatiefout.
- 2
- De momentopname-bewerking kon niet worden voltooid op het doelknooppunt. Raadpleeg het beheerlogboek voor de specifieke sqlca.
Instructie voor gebruiker
Als de oorzaak van het foutbericht een knooppuntstoring of communicatiefout is, moet u de communicatiefout corrigeren of het knooppunt dat er niet in is geslaagd om de fout te verhelpen, opnieuw starten.
Als de fout te wijten is aan een mislukte momentopname-bewerking van een knooppunt op afstand, kijk dan in het beheerlogboek wat de sqlca van de mislukte bewerking is en raadpleeg de instructies voor die code om het probleem op te lossen.
SQL1630N De opgegeven eventmonitor heeft de limiet voor PCTDEACTIVATE al bereikt.
Verklaring
De opgegeven eventmonitor Write to Table is gemaakt met de limiet PCTDEACTIVATE, waarmee wordt aangegeven hoe vol de DMS-tabel kan zijn voordat de eventmonitor automatisch wordt uitgeschakeld. Deze limiet is bereikt. De opgegeven eventmonitor kan niet worden geactiveerd.
Instructie voor gebruiker
Verminder de ruimte die in de tabelruimte wordt gebruikt en geef de instructie SET EVENT MONITOR opnieuw op. U kunt ook de eventmonitor verwijderen en opnieuw aanmaken met een hogere limietwaarde voor PCTDEACTIVATE.
sqlcode: -1630
sqlstate: 54063
SQL1631N De eventmonitor eventmonitornaam van type eventmonitortype is reeds actief. De eventmonitor niet geactiveerd.
Verklaring
Er mag slechts één monitor van het type ACTIVITIES, STATISTICS of THRESHOLD VIOLATIONS actief zijn. Het activeren van de eventmonitor is mislukt omdat er al een eventmonitor van hetzelfde type actief is.
Instructie voor gebruiker
Schakel eventmonitor eventmonitornaam uit voordat u probeert deze eventmonitor te activeren.
sqlcode: -1631
sqlstate: 5U024
SQL1632W De aanvraag van ophaal- en herstelstatistieken is genegeerd omdat op dit moment een andere aanvraag van ophaal- en herstelstatistieken wordt verwerkt.
Verklaring
De aanvraag van ophaal- en herstelstatistieken is genegeerd omdat op dit moment een andere aanvraag van ophaal- en herstelstatistieken wordt verwerkt. Er kan slechts één aanvraag van ophaal- en herstelstatistieken tegelijk worden verwerkt voor deze database.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist.
sqlcode: +1632
sqlstate: 01H53
SQL1633W De activiteit die wordt aangeduid door toepassingshandle toepassingshandle, werkeenheids-ID werkeenheids-id en activiteits-ID activiteits-id, kan niet worden vastgelegd omdat er geen eventmonitor voor activiteiten actief is.
Verklaring
Er is geprobeerd een activiteit vast te leggen die wordt aangegeven met een toepassingshandle, werkeenheids-ID of activiteits-ID. Hiervoor is het vereist dat er een eventmonitor voor activiteiten wordt gemaakt en dat de status hiervan op actief wordt ingesteld. Er is momenteel geen eventmonitor voor activiteiten met de status Actief.
Instructie voor gebruiker
Als er al een eventmonitor voor activiteiten is, die echter geen actieve status heeft, stelt u de status in op Actief. Als er geen activiteiteneventmonitors voor deze database zijn, maakt u er een en geeft u deze een actieve status. Voer de procedure nogmaals uit.
sqlcode: +1633
sqlstate: 01H53
SQL1634N Er konden geen statistische gegevens worden verzameld omdat er geen actieve eventmonitor voor zulke gegevens is.
Verklaring
Er is een poging gedaan om statistieken over het werkbelastingsbeheer te verzamelen. Hiervoor is het vereist dat er een eventmonitor voor statistieken wordt gemaakt en dat de status hiervan op actief wordt ingesteld. Er is momenteel geen eventmonitor voor statistieken met de status Actief.
Instructie voor gebruiker
Als er al een eventmonitor voor statistieken is, die echter geen actieve status heeft, stelt u de status in op Actief. Als er geen eventmonitors voor statistieken voor deze database zijn, maakt u er een en geeft u deze een actieve status. Voer de procedure nogmaals uit.
sqlcode: -1634
sqlstate: 51042
SQL1635N De momentopname is mislukt omdat de grootte van de momentopname snapshotgrootte bytes is, waarmee de maximaal toegestane grootte van max-grootte bytes wordt overschreden.
Verklaring
Met behulp van de snapshot-monitor kunt u gegevens verzamelen over de DB2-database en verwante informatie voor het besturingssysteem. In omgevingen met meerdere databasepartities kunt u een momentopname maken van de huidige databasepartitie, een specifieke databasepartitie of alle databasepartities. Een momentopname van alle databasepartities tegelijk wordt een globale momentopname genoemd.
In het algemeen wordt de grootte van de voor de momentopname toegewezen gegevensbuffer beperkt door de randvoorwaarden van de gebruikte systeemresource. Voor globale momentopnamen kunt u de maximaal toegestane grootte van de gegevensbuffer instellen met de registervariabele DB2_MAX_GLOBAL_SNAPSHOT_SIZE.
Dit bericht kan in twee scenario's worden weergegeven:
- In het algemeen wordt dit bericht weergegeven wanneer de gevraagde grootte van een momentopname groter is dan maximaal is toegestaan.
- Voor globale momentopnames kan dit bericht ook worden weergegeven wanneer de gevraagde grootte van een momentopname groter is dan is ingesteld met de registervariabele DB2_MAX_GLOBAL_SNAPSHOT_SIZE.
Instructie voor gebruiker
U kunt op dit bericht reageren door een of meer van de volgende acties uit te voeren.
- Algemeen:
- Maak de momentopname kleiner door de hoeveelheid te verzamelen gegevens te beperken.
Twee manieren om kleinere momentopnamen te maken door wijziging van de parameters die u opgeeft met de parameter GET SNAPSHOT:
- Verzamel de gegevens van niet meer dan één database met de parameter DATABASE in plaats van de parameter ALL DATABASES.
- Verzamel alleen de gegevens van de toepassingen die zijn gekoppeld aan een specifieke database met behulp van de parameter APPLICATIONS in plaats van de parameter ALL APPLICATIONS.
- Maak de momentopname kleiner door de hoeveelheid te verzamelen gegevens te beperken.
- Voor globale momentopnamen:
- Verzamel in plaats van één globale momentopname meerdere kleine momentopnamen met de opdracht GET SNAPSHOT voor elke databasepartitie apart.
- Als de registervariabele DB2_MAX_GLOBAL_SNAPSHOT_SIZE is ingesteld, vergroot de waarde daarvan dan tot minimaal de werkelijk grootte zoals vermeld in dit bericht in de runtime variabele snapshotgrootte en voer de opdracht GET SNAPSHOT opnieuw uit.
SQL1636N De eventmonitor heeft fouten tijdens de activering vastgesteld. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Tijdens het activeren van de eventmonitor zijn fouten vastgesteld, zoals aangegeven in de volgende oorzaakcode:
- 1
De eventmonitor is geactiveerd. Dit is echter een DB2 pureScale-omgeving en er is een fout opgetreden die leidt tot beperkte of geen opstartmogelijkheden voor de algemene eventmonitor of eventmonitor voor schrijven naar tabellen . Als het monitorlid geen eventmonitor meer kan uitvoeren, is het systeem mogelijk niet in staat om deze opnieuw te starten op een ander lid.
- 2
De eventmonitor kan niet worden geactiveerd op het huidige lid. Dit is echter een DB2 pureScale-omgeving en mogelijk is de algemene eventmonitor of eventmonitor voor schrijven naar tabellen gestart op een ander lid.
Instructie voor gebruiker
Voer, afhankelijk van de oorzaakcode, een van de onderstaande acties uit:
- 1
Lees de details in het beheerberichtenlogboek en db2diag.log. Los het probleem voor het lid op en deactiveer en heractiveer de eventmonitor om te zorgen dat de volledige herstartcapacitiet is ingeschakeld.
- 2
Lees de details in het beheerberichtenlogboek en db2diag.log. Los het probleem voor het lid op. Controleer of de eventmonitor actief is, deactiveer de eventmonitor als hierom wordt gevraagd en activeer de eventmonitor weer om te zorgen dat de volledige herstartcapaciteit is ingeschakeld.
sqlcode: -1636
sqlstate: 560CS
SQL1637N De instructie kan niet worden uitgevoerd omdat er een clausule is opgegeven die niet wordt ondersteund door transparant DDL. Opgegeven clausule: clausule.
Verklaring
U kunt externe tabellen in een federatieve omgeving maken, wijzigen en verwijderen met bekende SQL-instructies zoals CREATE TABLE, ALTER TABLE en DROP TABLE door transparant DDL te gebruiken. De mogelijkheid om te werken met lokale en externe tabellen die dezelfde bekende SQL-instructies gebruiken, vereenvoudigt het beheer van federatieve databaseomgevingen. U kunt het gebruik van transparant DDL voor een externe tabel inschakelen door de tabel te maken met de instructie CREATE TABLE en de clausule OPTIONS.
Dit bericht wordt weergegeven als de instructie CREATE TABLE of ALTER TABLE wordt aangeroepen en hierbij een clausule wordt opgegeven die niet wordt ondersteund voor transparanet DDL.
Instructie voor gebruiker
Voer de instructie opnieuw uit zonder de niet-ondersteunde clausules op te geven.
sqlcode: -1637
sqlstate: 428I2
SQL1638N Het omleiden van de opslaggroeppaden is niet mogelijk.
Verklaring
Een proces heeft geprobeerd opslaggroeppaden te wijzigen met behulp van de opdracht SET STOGROUP PATHS of de API db2SetStogroupPaths API, op een moment waarop dit niet mogelijk is. Dit bericht kan bijvoorbeeld worden afgebeeld wanneer een poging wordt gedaan om een opslaggroeppad om te leiden tijdens het herstellen van een tabelruimte. De opslaggroeppaden kunnen alleen worden omgeleid tijdens een herstelbewerking voor een omgeleide database.
Instructie voor gebruiker
Mogelijke acties: Voor het wijzigen van de opslaggroeppaden van een actieve database kunt u werken met de instructie ALTER STOGROUP. Voor het uitvoeren van een omgeleide herstelbewerking geeft u de opdracht RESTORE DATABASE op met de optie REDIRECT. Tijdens een omgeleide herstelbewerking kunt u de opdracht SET STOGROUP PATHS of de API db2SetStogroupPaths API gebruiken voor het omleiden van de opslaggroeppaden.
sqlcode: -1638
sqlstate: 5U057
SQL1639N De databaseserver was niet in staat de verificatie uit te voeren, omdat op de server databasemanager-bestanden met betrekking tot de beveiliging niet beschikken over de vereiste besturingssysteem-machtigingen.
Verklaring
Het DB2-databasesysteem vereist dat uw subsysteem en databasedirectory's, en de bestanden in die directory's, beschikken over een minimumniveau aan besturingssysteem-machtigingen. Wanneer het subsysteem en de databasedirectory's worden gemaakt met de databasemanager, zijn de machtigingen correct, en kan het wijzigen van die machtigingen ertoe leiden dat functies van databasemanager mislukken. De complexiteit van DB2-bestandsmachtigingen neemt toe voor extern geïnstalleerde subsystemen en voor verificatie met behulp van het besturingssysteem.
Dit bericht treedt op wanneer uitvoerbare bestanden van databasemanager met betrekking tot de beveiliging niet beschikken over de vereiste machtigingen voor het uitvoeren van taken voor niet-lokale verbindingsverificatie.
Er kunnen diverse redenen zijn waarom deze beveiligingsbestanden niet beschikken over de juiste machtigingen, waaronder:
- Het databasemanagersubsysteem is niet geïnstalleerd in de hoofddirectory (root) en verificatie op basis van het besturingssysteem is niet ingeschakeld met de opdracht db2rfe
- De besturingssysteem-machtigingen voor de databasemanager-bestanden zijn per ongeluk gewijzigd.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit bericht reageren:
- Als het subsysteem niet is geïnstalleerd in de hoofddirectory, kunt u verificatie op basis van het besturingssysteem inschakelen met de opdracht db2rfe.
- Alle besturingssysteemmachtigingen opnieuw instellen voor de binaire bestanden van de databasemanager voor dit subsysteem, door als supergebruiker de volgende opdracht uit te voeren:
db2iupdt -k <naam-subsysteem>waarbij <naam-subsysteem> de naam is van het betrokken subsysteem.
Merk op dat het voor de opdrachten db2rfe en db2iupdt vereist is dat het databasemanagersubsysteem wordt gestopt en opnieuw gestart.
sqlcode: -1639
sqlstate: 08001
SQL1640N Een gebruikslijst kan niet worden gemaakt voor het object objectnaam.
Verklaring
Gebruikslijsten kunt u alleen maken voor reguliere tabellen en indexen. Raadpleeg voor meer informatie over de typen objecten waarvoor u gebruikslijsten kunt maken het gedeelte met verwante onderwerpen.
Instructie voor gebruiker
Geef de naam op van een geldig tabel- of indexobject.
sqlcode: -1640
sqlstate: 42809
SQL1641N De db2start-opdracht is mislukt omdat een of meer programmabestanden van de databasemanager niet kunnen worden uitgevoerd met hoofddirectorymachtigingen, vanwege de mount-instellingen van het bestandssysteem.
Verklaring
Met een in de hoofddirectory geïnstalleerd subsysteem in UNIX- en Linux-omgevingen, worden diverse uitvoerbare programma's van databasemanager ingesteld als setuid-programma's ("set user ID upon execution"). Een setuid-programma wordt uitgevoerd met de machtigingen van de eigenaar van het programma, in plaats van met de machtigingen van de gebruiker die het programma uitvoert. Databasemanager-programma's, zoals het programma db2start, zijn het eigendom van de rootgebruiker en worden daarom uitgevoerd met rootmachtigingen, ongeacht wat de machtigingen zijn van de gebruiker die de opdracht db2start uitvoert.
De mogelijkheid voor programma's om te worden uitgevoerd met setuid-machtigingen op een aangekoppeld bestandssysteem, kunt u configureren met de optie nosuid bij het aankoppelen van het bestandssysteem. Als u een bestandssysteem aankoppelt met de optie nosuid, worden programma's niet uitgevoerd met setuid-machtigingen.
Dit bericht treedt in UNIX- en Linux-omgevingen op als de databasemanager-programma's voor het starten van een databasesubsysteem niet kunnen worden uitgevoerd als rootprogramma's, omdat het bestandssysteem waarop deze programma's aanwezig zijn, is aangekoppeld met de optie nosuid.
Instructie voor gebruiker
- Koppel, zonder de optie nosuid, opnieuw het bestandssysteem aan waarop de databaseproductbestanden, waaronder de directory sqllib en het programma db2start, zich bevinden.
- Geef de opdracht db2start opnieuw op.
SQL1642N De databasemanager kan geen verbinding maken met een internetsocket op een niet-lokale computer, omdat de verbindingsaanvraag is geweigerd door de niet-lokale computer.
Verklaring
Voor de interactie met een niet-lokale database via een netwerk moet de databasemanager werken met een communicatieprotocol, bijvoorbeeld TCP/IP, en de besturingssysteeminterfaces, zoals een internetsocket, gebruiken voor de koppeling met databaseservices van het besturingssysteem op de computer waar de niet-lokale database zich bevindt.
Dit bericht treedt op wanneer de databasemanager probeert met behulp van het TCP/IP-protocol verbinding te maken met de niet-lokale computer en de foutcode ECONNREFUSED of WSAECONNREFUSED ontvangt van de TCP/IP-functie CONNECT. Doorgaans wordt de verbinding geweigerd omdat de databaseservice niet actief is in het niet-lokale besturingssysteem waarmee de databasemanager probeert verbinding te maken.
Er zijn meerdere scenario's die deze fout kunnen veroorzaken, waaronder:
- De databasemanager op de niet-lokale computer is gestopt
- Er is een probleem met de manier waarop de niet-lokale database is gecatalogiseerd.
- Er is een probleem met de manier waarop de niet-lokale databaseserver is geconfigureerd.
- De DB2COMM-registervariabele van de niet-lokale databaseserver is niet ingesteld op hetzelfde communicatieprotocol als wordt gebruikt door de client.
- De firewallsoftware op de niet-lokale computer blokkeert de verbindingspoging van de databasemanager.
- Er zijn meer TCP/IP-verbindingsaanvragen dan de computer op afstand kan verwerken.
Instructie voor gebruiker
Reageer op deze fout door systematisch de mogelijke oorzaken te elimineren:
- Zorg dat de databasemanager op de niet-lokale computer correct is gestart.
- Zorg dat de database correct is gecatalogiseerd.
- Zorg dat de items in het DBM-configuratiebestand voor de niet-lokale database geldig en consistent zijn.
- Zorg dat de DB2COMM-omgevingsvariabele op de databaseserver op afstand is ingesteld op het communicatieprotocol dat wordt gebruikt door de client.
- Zorg dat de firewallsoftware op de computer op afstand niet de TCP/IP-verbinding blokkeert.
- Zorg dat het aantal verbindingsaanvragen, dat door alle toepassingen wordt verzonden naar de computer op afstand, kleiner is dan het aantal aanvragen dat deze computer kan afhandelen.
Als u de hier vermelde mogelijke oorzaken hebt geëlimineerd, verzamelt u de diagnosegegevens met behulp van de opdracht db2support en neemt u contact op met IBM Software Support.
SQL1643C De databasemanager heeft geen gemeenschappelijk geheugen toegewezen omdat er een geheugenlimiet is bereikt voor het subsysteem van dit programma.
Verklaring
De maximumhoeveelheid geheugen die kan worden toegewezen aan elke databasepartitie wordt bestuurd met de parameter instance_memory van databasemanager. Het DB2-geheugenverbruik varieert, afhankelijk van de werklast en de configuratie. Daarnaast wordt de zelftuning van database_memory een factor wanneer dit is ingeschakeld. Er zijn veel factoren die bijdragen aan de berekening van instance_memory en de gevolgen die de parameter heeft voor de geheugenlimiet van het subsysteem, waaronder de volgende factoren:
- U kunt de maximumhoeveelheid geheugen die kan worden toegewezen aan een databasepartitie opgeven met behulp van de parameter instance_memory van databasemanager.
- Door de parameter instance_memory van de databasemanager in te stellen op AUTOMATIC kan het geheugen van het databasemanagersubsysteem naar behoefte toenemen, tot een limiet die wordt berekend op basis van het fysieke RAM-geheugen op de computer en de maximumwaarde die is toegestaan op basis van de licentie voor het databaseproduct.
Dit bericht treedt op wanneer de databasemanager niet in staat is gemeenschappelijk geheugen toe te wijzen, tijdens acties als het activeren van een database of het uitvoeren van een ROLLFORWARD, omdat de geheugenlimiet voor het subsysteem is bereikt.
Instructie voor gebruiker
- Stel het totale geheugenverbruik vast van een databasemanagersubsysteem voor een bepaalde databasepartitie, of voor alle databasepartities, met behulp van de tabelfunctie ADMIN_GET_DBP_MEM_USAGE of de opdracht db2pd met de parameter -dbptnmem.
- Verhoog de waarde van de parameter instance_memory of stel instance_memory in op AUTOMATIC.
- Als deze fout blijft optreden na het instellen van instance_memory op een zo hoog mogelijke waarde, verzamelt u diagnosegegevens met behulp van het hulpprogramma db2support en neemt u contact op met IBM Software Support.
sqlcode: -1643
sqlstate: 57019
SQL1644N De databasemanager kan geen gegevens verzenden naar een internetsocket op een niet-lokale computer, omdat de verbindingsaanvraag is gereset door de niet-lokale computer.
Verklaring
Voor de interactie met een niet-lokale database via een netwerk moet de databasemanager werken met een communicatieprotocol, bijvoorbeeld TCP/IP, en de besturingssysteeminterfaces, zoals een internetsocket, gebruiken voor de koppeling met databaseservices van het besturingssysteem op de computer waar de niet-lokale database zich bevindt.
Dit bericht treedt op wanneer de databasemanager probeert met behulp van het TCP/IP-protocol gegevens te verzenden naar de niet-lokale computer en de foutcode ECONNRESET of WSAECONNRESET ontvangt van de TCP/IP-functie RECV.
Er zijn meerdere scenario's die deze fout kunnen veroorzaken, waaronder:
- Op de client-zijde is het poolen van verbindingen ingeschakeld en een databasetoepassing voert geen nieuwe pogingen uit na storingen voor de databaseverbinding.
- Een databaseagent is heeft de computer op afstand moeten verlaten.
- Een databaseagent is beëindigd op de computer op afstand.
- Op de computer op afstand is voor een besturingssysteemthread voor een database een timeout opgetreden.
- De verbinding is op TCP/IP-niveau gesloten door de gateway of server op afstand.
Instructie voor gebruiker
Onderzoek en verhelp systematisch de mogelijke oorzaken:
- Problemen met de verbindingspool aan de clientzijde
Als op het clientsysteem pooling van verbindingen is ingeschakeld, zorgt u dat de databasetoepassing de databaseverbindingen opnieuw probeert nadat verbindingsfouten optreden.
- Databaseagent is buitengesloten
- Onderzoek of er events zijn opgetreden waardoor een databaseagent geen verbinding meer heeft met de computer op afstand, bijvoorbeeld doordat een beheerder, voor het uitvoeren van onderhoud, alle gebruikers en agents heeft uitgeschakeld op de computer op afstand.
- Als de toegang van databaseagents tot de computer op afstand is uitgeschakeld, probeert u samen met een database- of systeembeheerder de databaseserver weer online en gereed te zetten. Vervolgens probeert u het opnieuw.
- Databaseagent is beëindigd
- Onderzoek of storingen op de computer op afstand mogelijk een databaseagent hebben beëindigd. Het afbreken van een belangrijk databasemanager-proces kan bijvoorbeeld leiden tot het beëindigen van een databaseagent.
- Als door storingen op de computer op afstand een belangrijk databasemanager-proces is afgebroken, probeert u samen met een database- of systeembeheerder de databaseserver weer online en gereed te zetten. Vervolgens probeert u het opnieuw.
- Thread-timeout is verstreken
- Zoek op de computer op afstand in de diagnoselogboeken naar berichten die aangeven of een timeout is opgetreden voor een thread van het besturingssysteem.
- Als threads van het besturingssysteem voor de database langer duren dan de waarde van de besturingssysteemparameter voor timeout van inactieve threads (IDTHTOIN), kunt u een of meer van de volgende herstelprocedures uitvoeren:
- Verhoog de waarde van de parameter IDTHTOIN.
- Als verbindingspools zijn ingeschakeld op de gateway, schakelt u die uit.
- Zorg dat de databasetoepassing niet langer dan nodig resources vasthoudt. Zorg er bijvoorbeeld voor dat de databasetoepassing WITH HOLD-cursors sluit wanneer deze niet langer nodig zijn.
- Verbinding gesloten door gateway of server op afstand
Los eventuele problemen op die niet te maken hebben met het databaseproduct maar die wel de oorzaak zijn van het sluiten van een TCP/IP-verbinding op de gateway of server op afstand. Enkele voorbeelden van problemen waardoor een verbinding kan worden gesloten:
- Fouten in de firewallsoftware
- Stroomstoring
- Netwerkstoring
Als u de hier vermelde mogelijke oorzaken hebt geëlimineerd, verzamelt u de diagnosegegevens met behulp van de opdracht db2support en neemt u contact op met IBM Software Support.
sqlcode: -1644
sqlstate: 08001
SQL1645N De databasemanager kan geen verbinding maken met, of gegevens verzenden naar, een internetsocket op een niet-lokale computer, omdat de niet-lokale computer de verbinding heeft verbroken.
Verklaring
Voor de interactie met een niet-lokale database via een netwerk moet de databasemanager werken met een communicatieprotocol, bijvoorbeeld TCP/IP, en de besturingssysteeminterfaces, zoals een internetsocket, gebruiken voor de koppeling met databaseservices van het besturingssysteem op de computer waar de niet-lokale database zich bevindt.
Er zijn meerdere scenario's die deze fout kunnen veroorzaken, waaronder:
- Vanwege een geheugentoewijzingsfout kan op de computer op afstand niet een databaseagent worden gestart.
- Een databaseagent is heeft de computer op afstand moeten verlaten.
- Een databaseagent is beëindigd op de computer op afstand.
- De verbinding is op TCP/IP-niveau gesloten door de gateway of server op afstand.
Instructie voor gebruiker
Onderzoek en verhelp systematisch de mogelijke oorzaken:
- Een nieuwe databaseagent kan niet worden gestart
- Raadpleeg de diagnoselogboeken op de computer op afstand om vast te stellen of er geheugenlimieten zijn overschreden en of als gevolg daarvan geheugentoewijzingsfouten zijn opgetreden.
- Als op de computer op afstand geheugenlimieten zijn bereikt, of geheugentoewijzingsfouten zijn opgetreden, probeert u samen met een database- of systeembeheerder de oorzaken van de geheugentoewijzingsfouten op te lossen. Vervolgens probeert u het opnieuw.
- Databaseagent is buitengesloten
- Onderzoek of er events zijn opgetreden waardoor een databaseagent geen verbinding meer heeft met de computer op afstand, bijvoorbeeld doordat een beheerder, voor het uitvoeren van onderhoud, alle gebruikers en agents heeft uitgeschakeld op de computer op afstand.
- Als de toegang van databaseagents tot de computer op afstand is uitgeschakeld, probeert u samen met uw database- of systeembeheerder de databaseserver weer online en gereed te zetten. Vervolgens probeert u het opnieuw.
- Databaseagent is beëindigd
- Onderzoek of storingen op de computer op afstand mogelijk een databaseagent hebben beëindigd. Het afbreken van een belangrijk databasemanager-proces kan bijvoorbeeld leiden tot het beëindigen van een databaseagent.
- Als door storingen op de computer op afstand een belangrijk databasemanager-proces is afgebroken, probeert u samen met uw database- of systeembeheerder de databaseserver weer online en gereed te zetten. Vervolgens probeert u het opnieuw.
- Verbinding gesloten door gateway of server op afstand
Los eventuele problemen op die niet te maken hebben met het databaseproduct maar die wel de oorzaak zijn van het sluiten van een TCP/IP-verbinding op de gateway of server op afstand. Enkele voorbeelden van problemen waardoor een verbinding kan worden gesloten:
- Fouten in de firewallsoftware
- Stroomstoring
- Netwerkstoring
Als u de hier vermelde mogelijke oorzaken hebt geëlimineerd, verzamelt u de diagnosegegevens met behulp van de opdracht db2support en neemt u contact op met IBM Software Support.
sqlcode: -1645
sqlstate: 08001
SQL1646N Een routine is mislukt omdat het afgeschermde gebruikers-ID geen toegang heeft tot de vereiste bestanden in de directory sqllib of in een ander subsysteem of andere databasedirectory.
Verklaring
De databasemanager voert door de gebruiker gedefinieerde functies en opgeslagen procedures uit buiten de adresruimte van de DB2-database, door die routines uit te voeren als de afgeschermde DB2-gebruiker. Het standaard-ID van de afgeschermde gebruiker is "db2fenc1" en de standaardgroep is "db2fadm1".
Het afgeschermde gebruikers-ID moet toegang hebben tot DB2 databasebestanden, zoals uitvoerbare bestanden en bibliotheekbestanden, in de directory sqllib en andere subsysteem- en databasedirectory's. Wanneer de subsysteem- en databasedirectory's worden gemaakt met de databasemanager, zijn de besturingssysteem-machtigingen voor bestanden en directory's correct ingesteld en dient u deze niet meer te wijzigen.
Dit bericht kan optreden wanneer u rechtstreeks werkt met afgeschermde opgeslagen procedures of routines, of als een DB2-functie, zoals de Health Monitor, wordt uitgevoerd als een afgeschermd proces.
De meest algemene oorzaak van deze fout is dat de bestandsmachtigingen van het besturingssysteem, met betrekking tot DB2-databasebestanden of -directory's, per ongeluk zijn gewijzigd nadat met databasemanager het subsysteem en de databasedirectory's zijn gemaakt.
Instructie voor gebruiker
U kunt op de fout reageren door de volgende stappen voor probleemoplossing uit te voeren:
- Indien mogelijk probeert u vast te stellen welk bestand of welke directory niet toegankelijk is voor de databasemanager of het db2fmp-proces zelf, door de beschikbare diagnosegegevens voor de database (bijvoorbeeld de db2diag-logboekbestanden) of de diagnosegegevens van het besturingssysteem te raadplegen.
- Vergelijk de besturingssysteem-machtigingen voor DB2-databasebestanden en -directory's, waaronder de directory sqllib en het uitvoerbaar bestand db2fmp zelf, met de gedocumenteerde standaardmachtigingen die de databasemanager zou instellen wanneer het subsysteem en de databasedirectory's voor het eerst worden gemaakt.
sqlcode: -1646
sqlstate: 58004
SQL1648N De SQL-instructie of de opdracht kan niet worden verwerkt vanwege de status van een DB2-lid of CF in een DB2 pureScale-omgeving. Lid = lid-ID. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
De status van een DB2-lid of CF verhindert dat de SQL-instructie of opdracht kan worden verwerkt. Dit kan een van de volgende oorzaken hebben:
- 1
De databasemanager wordt gestopt of gestart voor een lid.
- 2
Een herstelbewerking na crash wordt momenteel uitgevoerd voor een lid met een storing.
- 3
De instructie of de opdracht kan niet worden opgegeven vanaf een DB2-lid dat een hoger codeniveau heeft dan het CECL (huidige codeniveau). Als er een fixpack-update voor een DB2 pureScale-subsysteem wordt uitgevoerd, kunnen er DB2-leden bestaan met een hoger codeniveau dan het CECL. Sommige instructies en opdrachten kunnen alleen worden opgegeven vanaf een DB2-lid dat hetzelfde codeniveau heeft als het CECL.
- 4
De instructie of opdracht wordt niet ondersteund omdat er een fixpack-update wordt uitgevoerd en minstens één DB2-lid of clustercachefunctie (CF) een ander codeniveau dan het CECL heeft. Sommige instructies en opdrachten worden alleen ondersteund als alle DB2-leden en CF's hetzelfde codeniveau als het CECL hebben. De waarde "*N" als lid-ID geeft aan dat de voorwaarde niet specifiek geldt voor een bepaald(e) lid of CF.
- 5
Een verbinding met of activering van de database kan niet worden uitgevoerd omdat een of meer niet-compatibele opdrachten, instructies of bewerkingen worden verwerkt.
- 6
Na het toevoegen van een lid, is het eerste gebruik van de database mislukt omdat er geen leden zijn gestart.
- 7
Na het toevoegen van een lid, is het eerste gebruik van de database mislukt omdat de database niet actief is op een al bestaand lid (een lid dat in het databasemanagersubsysteem aanwezig was tijdens de laatste keer dat de database bruikbaar was, voordat het nieuwe lid werd toegevoegd). Het gebruik van de database is geblokkeerd omdat sommige acties voor het toevoegen van het lid nog niet zijn voltooid.
- 8
Een eerste verbinding met de database nadat het lid is toegevoegd, is mislukt vanwege een fout bij de verwerking ervan op een ander lid.
- 9
De bewerking kan niet worden gestart vanaf een lid dat niet aanwezig is in de brontopologie van leden.
- 10
Er is geprobeerd een lid toe te voegen vanuit een ander codeniveau dan de CECL, of terwijl de status van het databasemanagersubsysteem heterogeen was.
- 11
De opdracht is mislukt omdat na de verwijdering van een lid een expliciete verbinding met de database tot stand moet worden gebracht.
Instructie voor gebruiker
Reageer op dit bericht door de overeenkomende actie voor elke oorzaakcode uit te voeren.
- 1
Wacht totdat het DB2-lid beschikbaar is. Voer vervolgens de instructie of opdracht opnieuw uit.
- 2
Wacht totdat de herstelbewerking na crash is voltooid en het DB2-lid beschikbaar is. Voer vervolgens de instructie of opdracht opnieuw uit.
- 3
Voer een van de volgende acties uit:
- Geef de instructie opnieuw op vanaf een lid met een codeniveau dat gelijk is aan het CECL.
- Voltooi de fixpack-update zodat alle leden hetzelfde codeniveau hebben als het CECL, en geef de instructie vervolgens opnieuw op vanaf een willekeurig DB2-lid.
- 4
Voltooi de fixpack-update en leg de wijzigingen vast. Herhaal de bewerking wanneer alle DB2-leden en CF's hetzelfde codeniveau hebben.
- 5
Wacht tot de beperkte bewerking is voltooid en voer de opdracht opnieuw uit.
- 6
U kunt op de oorzaakcode 6 reageren door de volgende acties uit te voeren:
- Start een al bestaand lid (een lid dat in het databasemanagersubsysteem aanwezig was tijdens de laatste keer dat de database bruikbaar was).
- Maak verbinding met, of activeer, de database op het al bestaande lid.
- Opnieuw proberen verbinding te maken met de database op het nieuw toegevoegde lid.
- 7
U kunt op de oorzaakcode 7 reageren door de volgende acties uit te voeren:
- Zorg ervoor dat de onvoltooide acties van de bewerking voor het toevoegen van een lid worden voltooid, door het activeren van, of maken van een verbinding met, de database op een eerder al bestaand lid (een lid dat in het databasemanagersubsysteem aanwezig was tijdens de laatste keer dat de database bruikbaar was).
- Voer de mislukte bewerking opnieuw uit.
- 8
Maak de vereiste configuratiewijzigingen om te voorkomen dat database- of besturingssysteemlimieten worden overschreden en voer de opdracht opnieuw uit.
- 9
Maak verbinding met de database vanaf een lid dat aanwezig is in de brontopologie van leden.
- 10
Zorg wanneer u een lid toevoegt, dat het databasemanagersubsysteem een homogene status heeft (met andere woorden, breng alle DB2-leden en CF's op hetzelfde codeniveau) en start vervolgens de opdracht voor het toevoegen van een lid vanaf een lid dat deel uitmaakt van het subsysteem.
- 11
Maak vanuit een bestaand lid verbinding met de database en voer de opdracht opnieuw uit.
sqlcode: -1648
sqlstate: 57061
SQL1649W Het uitschakelen van de database is geslaagd, maar de database blijft beschikbaar in de werkstand voor aangehouden I/O-schrijfbewerkingen.
Verklaring
De database kan niet worden afgesloten terwijl het in de werkstand voor aangehouden I/O-schrijfbewerkingen staat. De database wordt afgesloten zodra de aangehouden I/O-schrijfbewerkingen worden hervat.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist. Geef een opdracht 'SET WRITE RESUME' op om de I/O-schrijfbewerkingen te hervatten en de database volledig uit te schakelen.
SQL1650N De functie die is opgeroepen wordt niet meer ondersteund.
Verklaring
De gebruiker heeft geprobeerd een API op te roepen die niet meer wordt ondersteund in de huidige versie van de databasemanager.
Instructie voor gebruiker
Het is mogelijk dat de vereiste functie wordt ondersteund door een andere API-aanroep.
Als de Windows-toepassing de API sqledgne of db2DbDirGetNextEntry met een lager versienummer dan V9 aanroept, moet deze worden bijwerkt zodat de API db2DbDirGetNextEntry met het huidige versienummer wordt aangeroepen.
SQL1651N De opdracht kan niet worden uitgevoerd omdat de versie van de databaseserver deze functie niet ondersteunt.
Verklaring
Een deel van de nieuwe functies wordt niet ondersteund met de oudere versies van de server. Een andere mogelijke reden van deze fout kan zijn dat de opdracht verwees naar objecten met lengtekwalificaties die niet worden ondersteund door de versie van de server.
Instructie voor gebruiker
Voer de opdracht uit met een server waarop de laatste versie van de databaseserver is geïnstalleerd, of werk de server bij tot de laatste versie van de databaseserver.
SQL1652N Er is een I/O-fout opgetreden voor het bestand.
Verklaring
Er is een fout opgetreden bij het openen, lezen, beschrijven of sluiten van een bestand.
Instructie voor gebruiker
Raadpleeg het logboekbestand db2diag voor meer details. Controleer of de schijf vol is, op machtigingen voor bestanden en op besturingssysteemfouten.
SQL1653N Er is een ongeldig profielpad opgegeven.
Verklaring
Er moet een volledig pad worden opgegeven naar het bestand waar de servergegevens moeten worden gegenereerd.
Instructie voor gebruiker
Zorg ervoor dat het profielpad is opgegeven en dat het niet de waarde null heeft.
SQL1654N Er is een fout opgetreden met betrekking tot het subsysteempad.
Verklaring
Het subsysteempad kan niet worden teruggezonden.
Instructie voor gebruiker
Controleer of het pad DB2INSTANCE juist is opgegeven. Controleer of de volledige padlengte niet het maximum overschrijdt dat wordt ondersteund door het besturingssysteem.
SQL1655C De bewerking kan niet worden voltooid, want er is een fout opgetreden bij het openen van de gegevens op schijf.
Verklaring
De oorzaak van deze storing is een probleem tijdens het verkrijgen van toegang tot gegevens op de schijf. De SQL-instructie is teruggedraaid (rollback) of de bewerking is afgebroken. De database blijft toegankelijk.
Instructie voor gebruiker
De toepassing kan de bewerking opnieuw proberen uit te voeren, hoewel deze mogelijk opnieuw zal mislukken. Als de bewerking nog steeds niet kan worden uitgevoerd, kan het nodig zijn contact op te nemen met de DB2-systeembeheerder om nader onderzoek te doen.
In het beheerlogboek vindt u gedetailleerde informatie aan de hand waarvan u dit probleem mogelijk kunt opsporen. Onderzoek de fouten en bepaal de oorzaak ervan, mogelijk met behulp van IBM Software Support.
Als wordt vastgesteld dat er foutieve DB2-gegevens zijn, dan moet u de tabelruimte of database herstellen en de wijzigingen terugzetten.
Als de oorzaak is terug te voeren op hardware of andere software, herstelt u de desbetreffende systemen (waarvoor het nodig kan zijn DB2 uit bedrijf te halen).
sqlcode: -1655
sqlstate: 58030
SQL1656C Er is een fout opgetreden tijdens de verwerking van de gegevens. De bewerking kan niet worden voltooid, maar de database blijft toegankelijk. Neem contact op met IBM Software Support.
Verklaring
De oorzaak van deze storing ligt bij een aangetroffen inconsistentie in de DB2-pagina's. De SQL-instructie is mislukt of de bewerking is afgebroken. De database blijft toegankelijk.
Instructie voor gebruiker
Neem contact op met IBM Software Support voor instructies over het verzamelen van diagnosegegevens die nodig zijn voor het oplossen van dit probleem. De toepassing kan de bewerking proberen opnieuw uit te voeren, hoewel deze mogelijk opnieuw zal mislukken.
sqlcode: -1656
sqlstate: 58004
SQL1657W Het deactiveren van de database is voltooid. Omdat het een primaire HADR-database betreft en omdat de database op het moment van deactiveren de status van een niet-verbonden peerdatabase had, wordt automatisch een herstelbewerking na crash uitgevoerd voor de database wanneer deze opnieuw wordt gestart.
Verklaring
In het algemeen kunt u een primaire HADR-database deactiveren met een van de volgende methoden:
- Met de opdracht DEACTIVATE DATABASE of de API sqle_deactivate
- Met de opdracht db2stop en de optie FORCE
Als een primaire HADR-database wordt gedeactiveerd terwijl deze de status van een niet-verbonden peerdatabase heeft, wordt deze gedeactiveerd naar een inconsistente status en wordt automatisch een herstelbewerking na crash uitgevoerd voor de database wanneer deze opnieuw wordt gestart.
Offline backupbewerkingen voor deze database kunnen pas worden uitgevoerd wanneer de database opnieuw is gestart.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist.
Wanneer de database opnieuw wordt gestart, voert de databasemanager automatisch een herstelbewerking na crash uit voor deze database.
SQL1658N De afrondingsbewerking is mislukt voor het object naam. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
Voordat u onderhoudactiviteiten uitvoert, kunt u gebruikers verplicht van het databasemanagersubsysteem of -database verwijderen door het object af te ronden.
De specifieke reden waarom dit bericht wordt weergegeven, wordt aangegeven met de oorzaakcode:
- 1
Er is geprobeerd een database af te ronden die de status WRITE SUSPEND heeft.
- 2
Er is geprobeerd een databasemanagersubsysteem af te ronden waarvan minstens één database de status WRITE SUSPEND heeft.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- Oorzaakcode 1
Om een database af te ronden die de status WRITE SUSPEND heeft, voert u de volgende stappen uit:
- Hervat de schrijfbewerkingen voor de database met de opdracht SET WRITE met de optie RESUME of gebruik de db2SetWriteForDB-API met de optie DB2_RESUME_WRITE.
- Voer de afrondingsbewerking opnieuw uit.
- Oorzaakcode 2
Om een subsysteem af te ronden waarin een of meer databases de status WRITE SUSPEND hebben, voert u de volgende stappen uit:
- Bepaal welke databases de status WRITE SUSPEND hebben door de configuratieparameter suspend_io te controleren voor elke database in het subsysteem.
- Hervat voor elke database met de status WRITE SUSPEND de schrijfbewerkingen met de opdracht SET WRITE met de optie RESUME of gebruik de db2SetWriteForDB-API met de optie DB2_RESUME_WRITE.
- Voer de afrondingsbewerking opnieuw uit.
SQL1659N Databasemanager is gestart met minder HCA's (Host Channel Adapters) dan voor de CF's (clustercachevoorzieningen) of leden is geconfigureerd.
Verklaring
Databasemanager heeft bij het starten een niet-kritieke fout aangetroffen. Er is geen communicatie met een of meer HCA's op een clustercachefunctie (CF) of lid, maar elke CF of elk lid is verbonden met minstens één HCA. Met minder HCA's heeft de CF of het lid minder doorvoercapaciteit. Er bestaat ook een groter risico op uitval door een verminderde redundantie.
Instructie voor gebruiker
U kunt de clusterwaarschuwingen bekijken door 'db2cluster -cm -list -alert' uit te voeren en te zien welke HCA's niet reageren. Voer de corrigerende acties uit die in de waarschuwingen zijn vermeld, om gerapporteerde problemen te verhelpen.
SQL1660N De Generator op de server, die door Discovery wordt gebruikt voor het verzamelen van servergegevens, kon niet worden uitgevoerd.
Verklaring
Er is een storing van het serversysteem opgetreden.
Instructie voor gebruiker
Meld de storing bij uw database-serverbeheerder. Er staan meer details over de storing in het logboekbestand db2diag van de server.
SQL1661N De query is mislukt omdat de gegevens die u probeert op te halen, niet gevonden zijn op de secundaire HADR-database.
Verklaring
De instructie of opdracht probeert een XML-waarde op te halen die niet beschikbaar is op de secundaire HADR-database. De reden kan zijn dat de waarde nog niet is afgespeeld op de secundaire database.
Instructie voor gebruiker
Probeer de query later opnieuw op een secundaire HADR-database waarvoor lezen is ingeschakeld of dien de query in op de primaire HADR-database.
sqlcode: -1661
sqlstate: 58004
SQL1662N Logarchiefcompressie mislukt bij archiveren of ophalen van logbestand logbestand met logarchiefmethode voor database database op lid lidnummer. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
Als voor archieflogbestanden compressie is ingeschakeld, is een fout opgetreden bij het archiveren van een logbestand of het ophalen van een gearchiveerd logbestand.
Instructie voor gebruiker
Zie het bestand db2diag.log voor meer informatie.
Neem contact op met IBM Support.
SQL1663W Logarchiefcompressie is niet volledig ingeschakeld voor logarchiefmethode.
Verklaring
Logarchiefcompressie is pas volledig ingeschakeld voor logarchiefmethode als logarchiefmethode is ingesteld op DISK, TSM of VENDOR.
Instructie voor gebruiker
U kunt logarchiefmethode op DISK, TSM of VENDOR instellen met de opdracht UPDATE DATABASE CONFIGURATION.
SQL1664W Er is een waarschuwingscode ontvangen van een provider van analyses voor databases. Waarschuwingscode: waarschuwingscode. Naam provider: providernaam. Bijbehorende tekst en tokens: tokens.
Verklaring
U kunt in-database analytics uitvoering met een ingesloten analytics-provider.
Bij verwijzing naar een provider van in-database analytics is er een onvoorziene waarschuwingscode ontvangen voor de opgegeven provider.
Instructie voor gebruiker
U kunt op de fout reageren door de volgende stappen voor probleemoplossing uit te voeren:
- Identificeer en corrigeer de hoofdoorzaak van de waarschuwing door de juiste berichttekst en herstelactie voor de aangegeven fout op te zoeken bij de provider.
- Controleer de van toepassing zijnde diagnoselogboeken die worden gegenereerd door de provider.
sqlcode: +1664
sqlstate: 01699
SQL1665N De opdracht is mislukt omdat compressie van logboekarchieven niet wordt ondersteund wanneer er niet-gecodeerde apparaten worden gebruikt voor logboekregistratie van de database.
Verklaring
Compressie van logboekarchieven wordt niet ondersteund wanneer de te archiveren logbestanden zich op een niet-gecodeerd apparaat bevinden. U ontvangt dit foutbericht wanneer:
- Een opdracht is gegeven voor de inschakeling van compressie van logboekarchieven en de databaseconfiguratieparameters LOGPATH of NEWLOGPATH al verwijzen naar een ongecodeerd apparaat.
- Een opdracht is gegeven om de databaseconfiguratieparameter NEWLOGPATH in te stellen op een niet-gecodeerd apparaat terwijl compressie van logboekarchieven al is ingeschakeld.
- Een opdracht is gegeven voor het inschakelen van compressie van logboekarchieven en het instellen van de databaseconfiguratieparameter NEWLOGPATH op een niet-gecodeerd apparaat.
Instructie voor gebruiker
Als u compressie van logboekarchieven wilt gebruiken, zorg er dan voor dat LOGPATH en NEWLOGPATH geen van beide naar niet-gecodeerde apparaten verwijzen.
Als het nodig is om NEWLOGPATH te laten verwijzen naar een kaal apparaat, schakel dan de compressie van logboekarchieven eerst uit en probeer vervolgens opnieuw de configuratieparameter NEWLOGPATH in te stellen.
SQL1666N De tabeldefinitie is mislukt omdat er in de tabeldefinitie functionaliteit is opgegeven die niet wordt ondersteund door het tabeltype. Niet-ondersteunde functionaliteit: sleutelwoord-functionaliteit.
Verklaring
Dit bericht wordt geretourneerd wanneer er een poging wordt gedaan een tabel te maken of te wijzigen met functionaliteit die niet wordt ondersteund voor dit type tabel.
Het runtime token functionaliteit-sleutelwoord bevat de clausule of het sleutelwoord dat de niet-ondersteunde functionaliteit aanduidt.
Instructie voor gebruiker
Controleer de ondersteunde functionaliteit en beperkingen van het tabeltype. Geef de instructie vervolgens nogmaals op, waarbij u alleen de functionaliteit opgeeft die voor dit tabeltype wordt ondersteund.
sqlcode: -1666
sqlstate: 42613
SQL1667N De bewerking is mislukt omdat de bewerking niet wordt ondersteund door het type opgegeven tabel. Opgegeven tabel: tabelnaam. Tabeltype: tabeltype. Bewerking: sleutelwoord-bewerking.
Verklaring
Dit bericht wordt weergegeven als geprobeerd wordt om een bewerking uit te voeren op een tabel, die niet wordt ondersteund voor dit type tabel.
Instructie voor gebruiker
Controleer de ondersteunde functionaliteit en beperkingen van het tabeltype. Geef de instructie vervolgens nogmaals op, waarbij u alleen de functionaliteit opgeeft die voor dit tabeltype wordt ondersteund.
sqlcode: -1667
sqlstate: 42858
SQL1668N De bewerking is mislukt omdat deze niet wordt ondersteund in deze omgeving. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
Dit bericht wordt weergegeven als geprobeerd wordt om een bewerking uit te voeren die in een bepaalde omgeving niet wordt ondersteund. De oorzaakcode geeft aan waarom de bewerking is mislukt:
- 1
De database bevat een of meer kolomgeorganiseerde tabellen en de bewerking heeft geprobeerd om functies te activeren of gebruiken die niet worden ondersteund voor kolomgeorganiseerde tabellen.
- 4
Er is geprobeerd een kolomgeorganiseerde tabel te maken in een besturingssysteem-omgeving die niet wordt ondersteund voor kolomgeorganiseerde tabellen.
- 5
Er is geprobeerd om met kolomgeorganiseerde tabellen te werken in een omgeving waarvoor intrapartitionele parallelle verwerking is uitgeschakeld.
- 6
Er is geprobeerd om kolomgeorganiseerde tabellen te gebruiken in een gepartitioneerde databaseomgeving.
- 7
Er is geprobeerd om kolomgeorganiseerde tabellen te gebruiken in een DB2 pureScale-omgeving.
- 8
Er is geprobeerd een kolomgeorganiseerde tabel te maken of te openen in een XA-transactie.
- 9
Dit bericht wordt geretourneerd met oorzaakcode 9 wanneer wordt geprobeerd om automatische optimalisatie te gebruiken voor sorteergeheugen met functionaliteit voor kolomgeorganiseerde tabellen:
- Er is geprobeerd om een of beide volgende configuratieparameters in te stellen op "AUTOMATIC", terwijl er een of meer kolomgeorganiseerde tabellen in de database aanwezig zijn: SORTHEAP, SHEAPTHRES_SHR.
- Er is geprobeerd om een kolomgeorganiseerde tabel te maken, terwijl een of beide volgende configuratieparameters is of zijn ingesteld op "AUTOMATIC": SORTHEAP, SHEAPTHRES_SHR.
- 10
Er is geprobeerd een schaduwtabel te maken door de clausule MAINTAINED BY REPLICATION op te geven in een omgeving met gepartitioneerde databases of een DB2 pureScale-omgeving.
- 11
Er is geprobeerd een externe tabelbewerking uit te voeren in een DB2-omgeving op een Windows-besturingssysteem.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Voor het inschakelen van functies die niet worden ondersteund voor kolomgeorganiseerde tabellen, verwijdert u deze tabellen en maakt u ze opnieuw als rijgeorganiseerde tabellen.
- 5
Schakel intrapartitionele parallelle verwerking in en voer de bewerking opnieuw uit. Controleer of er voldoende gedeelde sorteerheap beschikbaar is door de registervariabele DB2_WORKLOAD in te stellen op ANALYTICS, of de databasemanager-configuratieparameter sheapthres op 0.
- 4, 6 en 7
Maak de tabel als een rijgeorganiseerde tabel.
- 8
Als de oorzaakcode 8 is, kunt u het volgende doen:
- Maak of open kolomgeorganiseerde tabellen uitsluitend in niet-XA-transacties.
- Maak of open in XA-transacties uitsluitend rijgeorganiseerde tabellen.
- 9
Als de oorzaakcode 9 is, kunt u het volgende doen:
- Als u de functionaliteit voor kolomgeorganiseerde tabellen wilt gebruiken of een kolomgeorganiseerde tabel wilt maken, schakel dan de automatische optimalisatie voor sorteergeheugen uit door de configuratieparameters SORTHEAP en SHEAPTHRES_SHR in te stellen op passende, numerieke waarden in plaats van op "AUTOMATIC".
- Als u automatische optimalisatie wilt gebruiken voor sorteergeheugen, gebruik dan rijgeorganiseerde in plaats van kolomgeorganiseerde tabellen.
- 10
Schaduwtabellen kunnen niet worden gemaakt in een omgeving met gepartitioneerde databases of een DB2 pureScale-omgeving. Als u echter een opgebouwde querytabel wilt maken die geen schaduwtabel is, maak de tabel dan zonder de clausule MAINTAINED BY REPLICATION op te geven.
- 11
De externe tabelbewerking kan niet worden uitgevoerd in een DB2-omgeving op een windows-besturingssysteem.
sqlcode: -1668
sqlstate: 56038
SQL1669W De bewerking bewerkings-sleutelwoord is voltooid. De volgende optie is echter genegeerd: SQL-sleutelwoord.
Verklaring
Dit bericht wordt weergegeven wanneer er een poging wordt gedaan om een bewerking uit te voeren die niet wordt ondersteund voor kolomgeoriënteerde tabellen en evenmin wordt geblokkeerd voor kolomgeoriënteerde tabellen.
Dit bericht kan bijvoorbeeld worden weergegeven wanneer de instructie ALTER TABLE wordt gebruikt om de werkstand APPEND voor een kolomgeorganiseerde tabel uit te schakelen. Kolomgeorganiseerde tabellen hebben altijd de werkstand APPEND, dus het uitschakelen van de werkstand APPEND wordt niet ondersteund en pogingen hiertoe worden genegeerd.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist.
SQL1670N Het discovertype dat is opgegeven in DISCOVER, de configuratieparameter van Database Manager, geeft aan dat Discovery is uitgeschakeld.
Verklaring
DISCOVER = DISABLE is geconfigureerd in het configuratiebestand van Database Manager.
Instructie voor gebruiker
Als de DISCOVER-functie vereist is, wijzigt u het huidige discovertype in KNOWN of SEARCH.
SQL1671N De zoekopdracht voor discovery is mislukt. In het beheerlogboek vindt u gedetailleerde informatie.
Verklaring
De zoekopdracht voor discovery is mislukt om een van de volgende redenen:
- De initialisatie is mislukt (sqleCommonInitializationForAPIs).
- Het ophalen van het pad voor het clientsubsysteem is mislukt (sqloinstancepath).
- Het openen van het uitvoerbestand is mislukt (sqlofopn).
- Het schrijven naar het uitvoerbestand is mislukt (sqlofprt).
- Het ophalen van het geheugen is mislukt (sqlogmblk).
- Het ophalen van de configuratie van Database Manager is mislukt (sqlfcsys).
- Een interne systeemfunctie van DB2 is mislukt (sqlogpid, sqlogmt).
Raadpleeg het logboekbestand db2diag voor meer details.
Instructie voor gebruiker
- Als de initialisatie mislukt, probeert u de machine opnieuw op te starten of installeert u het product opnieuw.
- Als er een storing is opgetreden met betrekking tot het subsysteempad, controleert u de waarde DB2INSTANCE om er zeker van te zijn dat dit juist is ingesteld.
- Als het openen van een bestand of het schrijven in een bestand is mislukt, controleert u of u toegang hebt voor het openen van en schrijven in een bestand in de directory <sqllib pad>\<subsysteem>\tmp op Intel-machines of tot de directory <subsysteempad>/sqllib/tmp op UNIX-machines.
- Als het ophalen van geheugen is mislukt, controleert u het beschikbare geheugen op de machine.
- Als het ophalen van de DBM-configuratie is mislukt, probeert u de machine opnieuw op te starten of het product opnieuw te installeren.
- Als een interne systeemfunctie van DB2 is mislukt, controleert u of de besturingssysteemfuncties op uw machine goed functioneren.
DB2-Services kan gedetailleerde gegevens leveren over de foutcodes die worden teruggezonden door deze functies en die worden geschreven in het logboekbestand db2diag.
SQL1673N De adressenlijst die is opgegeven als invoer voor de discover-interface, is ongeldig.
Verklaring
Het toepassingsprogramma heeft een ongeldige pointer voor de lijst met invoeradressen gebruikt. De adressenlijst verwijst naar niets.
Instructie voor gebruiker
Zorg ervoor dat er een geldige pointer wordt opgegeven voor de lijst met invoeradressen in het toepassingsprogramma en dat deze niet de waarde null heeft.
SQL1674N Het serveradres dat is opgegeven als invoer voor de discover-interface, is ongeldig.
Verklaring
Het toepassingsprogramma heeft een ongeldige adrespointer gebruikt voor de invoerserver. Het serveradres verwijst naar niets.
Instructie voor gebruiker
Zorg ervoor dat een geldig adres voor de invoerserver wordt opgegeven in het toepassingsprogramma en dat het niet de waarde null heeft.
SQL1675N Discovery is alleen toegestaan voor DB2-beheerservers. De communicatiegegevens die zijn aangeleverd, bevatten geen informatie over een beheerserver.
Verklaring
Een discovery-opdracht KNOWN is opgegeven voor een databaseserver die geen DB2 Beheerserver is. De communicatiegegevens die zijn opgegeven, zijn niet juist.
Instructie voor gebruiker
Controleer of DB2ADMINSERVER is ingesteld op het databaseserversubsysteem waarop u toegang probeert te krijgen. Dit geeft aan dat het serversubsysteem een DB2 Beheerserver is. Probeer de discovery-opdracht KNOWN opnieuw op te geven, met de juiste communicatiegegevens.
SQL1676N De instructie CREATE TABLE is mislukt omdat er functionaliteit voor de database is ingeschakeld die niet compatibel is met het opgegeven type tabel. Sleutelwoord incompatibele functionaliteit: sleutelwoord-functionaliteit.
Verklaring
U kunt kolomgeorganiseerde tabellen op twee verschillende manieren maken:
- De clausule ORGANIZE BY COLUMN opgeven bij de instructie CREATE TABLE
- DB-configuratieparameter DFT_TABLE_ORG instellen op COLUMN en vervolgens de instructie CREATE TABLE aanroepen zonder de clausule ORGANIZE BY ROW
Dit bericht wordt geretourneerd wanneer er een poging wordt gedaan een kolomgeorganiseerde tabel te maken, terwijl er in de database functionaliteit is ingeschakeld die niet wordt ondersteund voor kolomgeorganiseerde tabellen. Het runtime token sleutelwoord-functionaliteit geeft de aard van de incompatibele functionaliteit aan.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit bericht reageren:
- Als u een kolomgeorganiseerde tabel wilt maken, schakelt u de functionaliteit uit die wordt aangegeven in het runtime token sleutelwoord-functionaliteit.
- Als u een tabel wilt maken met de functionaliteit die wordt aangegeven in het runtime token sleutelwoord-functionaliteit, maakt u een rijgeorganiseerde tabel in plaats van een kolomgeorganiseerde tabel.
SQL1677N De verwerking van DB2START of DB2STOP kan niet worden uitgevoerd door een fout in de DB2-clusterservices.
Verklaring
De DB2-clusterservices kunnen de vereiste bewerking niet uitvoeren.
Instructie voor gebruiker
Los de problemen op voor de status van de DB2-clusterservices met de opdrachten db2cluster en db2instance.
In een omgeving met meerdere leden en cluster-CF's (caching facilities), verzamelt u diagnosegegevens van de host waarop de leden en CF's zich bevinden.
SQL1678W DB2START van CF met ID ID is niet mogelijk op host hostnaam omdat het subsysteem eerder is gestopt met de opdracht "db2stop INSTANCE ON". CF-duplexing is niet beschikbaar op dit subsysteem.
Verklaring
Omdat er meerdere clustercachefuncties (CF's) zijn geconfigureerd in dit databasemanagersubsysteem, is de CF door de gebruiker tijdelijk uitgesloten van deelname in het subsysteem. Hiertoe is de opdracht "db2stop INSTANCE ON" gebruikt.
Veelvoorkomende redenen hiervoor zijn het toelaten van upgrades van de CF of om het mogelijk te maken om het subsysteem te starten zonder CF-duplexing. Als de CF-server niet gestart kan worden door een fout, kan het subsysteem worden gestart terwijl de oorzaak van de fout door de gebruiker wordt opgelost.
Instructie voor gebruiker
Als de CF beschikbaar is, geeft u de opdracht "db2start INSTANCE ON" gevolgd door de opdracht "db2start CF" om de CF te starten en beschikbaar te maken voor het subsysteem. CF-duplexing wordt automatisch ingesteld door databasemanager zodra de CF is gestart.
SQL1679N DB2START kan het CF met ID ID niet starten op host hostnaam. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
De oorzaakcode geeft aan waarom dit foutbericht wordt weergegeven:
- 1
Dit bericht kan om meerdere redenen worden weergegeven met oorzaakcode 1, waaronder de volgende:
- De host waarop de clustercachefunctie (CF) zich bevindt, is niet beschikbaar.
- Er is een TCP/IP-communicatiefout opgetreden bij een poging om verbinding te maken met de host waarop de CF zich bevindt.
- De DB2-clusterservices kunnen geen geheugen voor de CF toewijzen omdat de Database Manager-configuratieparameter CF_MEM_SZ voor CF-geheugen is ingesteld op een waarde die groter is dan de hoeveelheid beschikbaar geheugen.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
- Voer de volgende activiteiten voor het oplossen van problemen uit:
- Controleer of voor de host de juiste machtiging is gedefinieerd in het bestand .rhosts of host.equiv om externe opdrachten uit te kunnen voeren.
- Controleer of de toepassing niet meer dan het maximaal toegestane aantal bestandsdescriptors tegelijk gebruikt: 500 + (1995 - 2* totaal_aantal_knooppunten).
- Controleer of alle Enterprise Server Edition-omgevingsvariabelen in het profielenbestand zijn gedefinieerd.
- Controleer of het profielbestand is geschreven in de geldige scriptindeling Korn Shell.
- Controleer of alle hostnamen die zijn gedefinieerd in het bestand db2nodes.cfg in de directory sqllib op het netwerk zijn gedefinieerd en of ze werken.
- Controleer of de registervariabele DB2FCMCOMM de juiste IP-indeling aangeeft om te gebruiken (TCPIP4 of TCPIP6).
- Controleer of de configuratieparameter CF_MEM_SZ voor de Database Manager is ingesteld op een geldige waarde.
- Geef vervolgens de opdracht DB2START opnieuw.
- Voer de volgende activiteiten voor het oplossen van problemen uit:
SQL1680W Er is een fout opgetreden bij de DB2START-verwerking op het DB2-lid met ID ID op host hostnaam. Oorzaakcode = oorzaakcode. DBM probeert asynchroon het lid in de herstelmodus te starten op een andere beschikbare host.
Verklaring
Er is een fout opgetreden bij een poging het lid op de host te staten. Als gevolg van deze fout kan de opdracht DB2START niet worden uitgevoerd.
De oorzaakcode geeft aan waarom dit foutbericht wordt weergegeven:
- 1
De host is niet bereikbaar omdat de host is niet beschikbaar is of omdat er een TCP/IP-communicatiefout is opgetreden bij een poging om verbinding met de host te maken.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Voor oorzaakcode 1 voert u de volgende activiteiten voor het oplossen van problemen uit:
- Controleer of voor de host de juiste machtiging is gedefinieerd in het bestand .rhosts of host.equiv.
- Controleer of de toepassing niet meer dan (500 + (1995 - 2 * totaal_aantal_knooppunten)) bestandsdescriptors tegelijkertijd gebruikt.
- Controleer of alle Enterprise Server Edition-omgevingsvariabelen in het profielenbestand zijn gedefinieerd.
- Controleer of het profielenbestand in scriptindeling Korn Shell is geschreven.
- Controleer of alle hostnamen die zijn gedefinieerd in het bestand db2nodes.cfg in de directory sqllib op het netwerk zijn gedefinieerd en of ze werken.
- Controleer of de registervariabele DB2FCMCOMM juist is ingesteld.
- Voer de opdracht DB2START nogmaals uit.
SQL1681W DB2START van DB2-lid met ID ID is niet mogelijk op host hostnaam omdat het subsysteem eerder is gestopt met de opdracht "db2stop INSTANCE ON". DBM probeert asynchroon het DB2-lid in de modus Light te starten op een andere beschikbare host. In de herstelmodus accepteert het DB2-lid geen clientverbindingen.
Verklaring
Het subsysteem op de host is eerder gestopt door de opdracht "db2stop INSTANCE ON". Een van de redenen om dit te doen is de host uitzetten voor onderhoud of een rolling upgrade voor software. Het lid kan niet worden gestart op deze host. DBM probeert echter om het lid in de modus Light te starten op een andere beschikbare host.
Instructie voor gebruiker
De gebruiker kan de opdracht DB2 LIST geven om te achterhalen of en op welke host het lid is gestart. Als de software-upgrade of het onderhoudswerk is voltooid op de host, moet de gebruiker de opdracht "db2start INSTANCE ON" geven om het subsysteem te starten op de host en daarna de opdracht "db2start MEMBER" opnieuw uitvoeren om het lid naar deze host te verplaatsen.
SQL1682W De verwerking van DB2START is uitgevoerd op host hostnaam. Door een eerdere fout van DB2START voor een DB2-lid of een fout van de host, is het DB2-lid naar deze host verplaatst door databasemanager.
Verklaring
Als het lid eerder is gestopt, werd het uitgevoerd in de modus Restart light. De uitvoering wordt voortgezet in de modus Restart light tot de thuishost actief wordt en databasemanager het verplaatst naar de thuishost.
Instructie voor gebruiker
Er is geen actie door de gebruiker vereist.
SQL1683N Er is een fout opgetreden tijdens de verwerking van DB2START. DBM kan het DB2-lid met ID ID niet opnieuw starten als light-lid op host hostnaam.
Verklaring
Het lid kan niet als light-lid worden gestart op de host omdat er geen lege DB2-processen actief waren op de host of de animatie van een van de lege DB2-processen kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Onderzoek het probleem op de host.
SQL1684N Er is een fout opgetreden tijdens de verwerking van DB2START. DBM kan een component van de DB2 pureScale-omgeving niet starten.
Verklaring
Een component van de DB2 pureScale-omgeving kan niet worden gestart door onvoldoende geheugen, CPU-resources of een probleem met het DB2-clusterbestandssysteem.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht db2cluster om de status van het DB2-clusterbestandssysteem te controleren. Controleer ook of de hosts in het DB2 pureScale-subsysteem over voldoende geheugen en CPU-resources beschikken.
SQL1685N Er is een fout opgetreden bij de DB2START-verwerking op het DB2-lid met ID ID omdat DBM een of meer CF's niet kan starten.
Verklaring
Databasemanager kan de clustercachefuncties (CF's) niet starten en daarom kan het DB2-lid niet worden gestart.
Dit bericht kan om meerdere redenen worden afgebeeld. Dit bericht kan bijvoorbeeld worden afgebeeld omdat de geheugenconfiguratieparameter CF_MEM_SZ is ingesteld op een waarde die groter is dan de fysieke geheugenlimiet van het systeem. Als dit bericht wordt afgebeeld omdat CF_MEM_SZ op een te grote waarde is ingesteld, bevatten de db2diag-logbestanden berichten die aangeven dat er te weinig systeemresources zijn voor de verwerking van opdrachten.
Instructie voor gebruiker
- Controleer of het subsysteem is geconfigureerd met werkende CF's. U doet dit als volgt:
- Stel eventuele problemen met een CF vast met de volgende db2cluster-opdracht:
db2cluster -cm -list -alert - Los de gevonden problemen op met de opdracht db2cluster met de parameter -clear:
db2cluster -cm -clear -alert
- Stel eventuele problemen met een CF vast met de volgende db2cluster-opdracht:
- Als de CF in onderhoud is, geeft u de opdracht "db2start INSTANCE ON" als het onderhoud id voltooid.
- Als u het databasemanagersubsysteem wilt starten zonder extra CF, start dan één CF met de opdracht "db2start 129", en start vervolgens het subsysteem opnieuw met de opdracht db2start.
SQL1686N Er is een fout opgetreden bij de DB2START-verwerking op host hostnaam toen DBM de host niet kon activeren.
Verklaring
DBM probeert het subsysteem op de host te starten terwijl de DB2-clusterservices de host niet kunnen activeren en deze niet bij de DB2 pureScale-cluster kunnen voegen.
Instructie voor gebruiker
Stel vast waarom de DB2-clusterservices de host niet actief kunnen maken en niet bij de DB2 pureCluster-cluster kunnen voegen.
SQL1687N Er is een fout opgetreden tijdens de verwerking van DB2STOP. Het DB2-lid met ID ID voert een herstartherstelbewerking uit of heeft niet-opgeloste onzekere transacties.
Verklaring
Het lid kan niet worden gestopt als de herstartherstelbewerking nog wordt uitgevoerd of als er niet-opgeloste transacties zijn.
Instructie voor gebruiker
- Bepaal de status van het lid met de opdracht db2instance en de parameter -list. U kunt ook de beheerview DB2_MEMBER of de tabelfunctie DB2_GET_INSTANCE_INFO gebruiken.
- Los eventuele onzekere transacties op.
SQL1688N DB2STOP kan de CF met ID ID niet stoppen. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
De oorzaakcode geeft aan waarom dit foutbericht wordt weergegeven:
- 1
De clustercachevoorziening (CF) bevat nog steeds 'vuile' pagina's of blokkeervergrendelingen.
- 2
De genoemde CF is de enige actieve CF in het subsysteem.
- 3
De primaire CF kan pas worden gestopt als de secundaire CF de status PEER heeft en klaar is om de bewerking over te nemen. De secundaire CF is nog niet klaar met de overgang van de oorspronkelijke status CATCHUP naar de status PEER.
- 4
In het subsysteem treedt een fout op met de primaire CF-rol, er kunnen geen CF's worden gestopt.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Controleer of er een actief lid wordt uitgevoerd. De gebruiker moet ook wachten tot de CF 'vuile' pagina's heeft verwijderd voordat hij de opdracht "db2stop CF" weer geeft.
- 2
Voer de volgende procedure uit:
- Als er actieve leden zijn, stopt u elk lid met de opdracht "db2stop MEMBER".
- Nadat de leden zijn gestopt, stopt u de CF met een algemene aanroep van db2stop.
- 3
Wacht tot de overgang van de secundaire CF naar de status PEER is voltooid. Raadpleeg voor deze informatie de kolom STATE in de beheerview DB2_CF.
- 4
Stop het subsysteem met de algemene opdracht "db2stop FORCE".
SQL1689W De verwerking van DB2STOP is voltooid. Het DB2-lid met ID ID werd echter uitgevoerd in de herstelmodus op een andere host dan de thuishost hostnaam.
Verklaring
Het lid is gestopt, maar de host waarop het werd uitgevoerd, is niet de thuishost. Het werd uitgevoerd in de modus Light op een andere DB2-lidhost. Het is meestal niet aan te raden om DB2-leden te stoppen die worden uitgevoerd is de modus Light.
Instructie voor gebruiker
Er is geen actie door de gebruiker vereist.
Als het lid wordt uitgevoerd in de modus Light op een andere host dat de thuishost, wordt het aanbevolen dat de gebruiker de juiste acties onderneemt zodat het lid door DBM (databasemanager) kan worden verplaatst naar de thuishost voordat het wordt gestopt.
SQL1690N Er is een fout opgetreden bij de DB2START-verwerking op het DB2-lid of de CF met ID ID op host hostnaam. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
De oorzaakcode geeft aan waarom dit foutbericht wordt weergegeven:
- 1
De host is niet bereikbaar omdat de host is niet beschikbaar is of omdat er een TCP/IP-communicatiefout is opgetreden bij een poging om verbinding met de host te maken.
- 2
De clustermanager heeft het DB2-lid of de clustercachevoorziening (CF) ondanks een communicatiefout gestopt.
Dit bericht kan ook worden gegenereerd wanneer er een wachtwoord is verlopen.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Voer de volgende activiteiten voor het oplossen van problemen uit voor oorzaakcode 1:
- Controleer of voor de host de juiste machtiging is gedefinieerd in het bestand .rhosts of host.equiv.
- Controleer of de toepassing niet meer dan (500 + (1995 - 2 * totaal_aantal_knooppunten)) bestandsdescriptors tegelijkertijd gebruikt.
- Controleer of alle Enterprise Server Edition-omgevingsvariabelen in het profielenbestand zijn gedefinieerd.
- Controleer of het profielenbestand in scriptindeling Korn Shell is geschreven.
- Controleer of alle hostnamen die zijn gedefinieerd in het bestand db2nodes.cfg in de directory sqllib op het netwerk zijn gedefinieerd en of ze werken.
- Controleer of de registervariabele DB2FCMCOMM juist is ingesteld.
- Controleer met behulp van de opdracht "db2instance -list" of het lid of de CF is gestopt.
Geef vervolgens de opdracht DB2STOP opnieuw.
- 2
Controleer met behulp van de opdracht "db2instance -list" of het lid of de CF is gestopt.
Raadpleeg voor meer informatie de db2diag-logboeken.
SQL1691N Er is een fout opgetreden tijdens de verwerking van DB2STOP op host hostnaam. Oorzaakcode = oorzaakcode. De databasemanager kan de host niet uitschakelen voor onderhoud.
Verklaring
De oorzaakcode geeft aan waarom dit foutbericht wordt weergegeven:
- 1
Een of meer DB2-leden of clustercachevoorzieningen (CF's) zijn nog actief op de host en kunnen niet worden gestopt.
- 2
Het subsysteem is nog actief en de CF's die op deze host worden uitgevoerd, kunnen niet worden gestopt.
Het subsysteem op de host kan iet worden gestopt vanwege actieve DB2-leden of CF's.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Geef de opdracht "db2stop MEMBER" of "db2stop CF" om het lid of de CF te stoppen voordat u het subsysteem op de host stopt. Om te forceren dat het subsysteem op de host wordt afgesloten, geeft u de opdracht "db2stop INSTANCE ON" met de optie FORCE.
- 2
Controleer of alle leden zijn gestopt en probeer de opdracht "db2stop INSTANCE ON" nogmaals.
SQL1692N Er is een fout opgetreden tijdens de verwerking van DB2STOP. DBM kan een component van de DB2 pureScale-omgeving niet stoppen.
Verklaring
Een component van de DB2 pureScale-omgeving reageert niet op de DB2-clusterservices en is niet afgesloten.
Instructie voor gebruiker
- Stel vast welke componenten van het databasemanagersubsysteem niet zijn beëindigd na de volgende opdracht:
db2instance -list - Beëindig de componenten die niet zij gestopt. U gaat hiervoor als volgt te werk:
- Verzamel meer informatie over de oorzaken waarom deze componenten niet zijn beëindigd, uit de diagnostische gegevens die zijn verzameld in de db2diag-logbestanden.
- Los de problemen die die zorgen dat de componenten niet zijn beëindigd.
- Beëindig de componenten handmatig.
- [Optionee] Schoon de interprocescommunicatie voor het subsysteem op door de volgende opdracht als eigenaar van het subsysteem te geven op elke fysieke partitie:
$HOME/sqllib/bin/ipclean
SQL1693N Er is een fout opgetreden bij de DB2STOP-verwerking op host hostnaam omdat de databasemanager de host niet kan deactiveren. De databasemanager kan de host niet uitschakelen voor onderhoud.
Verklaring
DBM probeert het subsysteem op de host te stoppen terwijl de DB2-clusterservices de host niet tijdelijk uit de DB2 pureScale-cluster kunnen verwijderen.
Instructie voor gebruiker
Stel vast waarom de DB2-clusterservices de host niet tijdelijk uit de DB2 pureScale-cluster kunnen verwijderen.
SQL1694N De opdrachtoptie optie is niet geldig voor een DB2 pureScale-subsysteem.
Verklaring
Bepaalde opties worden alleen voor bepaalde subsysteemtypen ondersteund. De opgegeven optie is niet beschikbaar voor een DB2 pureScale-subsysteem.
Instructie voor gebruiker
Gebruik de ondersteunde opdrachtopties voor een DB2 pureScale-subsysteem.
sqlcode: -1694
sqlstate: 56038
SQL1695N De opdrachtoptie optie is niet geldig voor andere subsystemen dan DB2 pureScale-subsystemen.
Verklaring
Bepaalde opties worden alleen voor bepaalde subsysteemtypen ondersteund. De opgegeven optie is niet beschikbaar voor andere subsystemen dan DB2 pureScale-subsystemen.
Instructie voor gebruiker
Gebruik de ondersteunde opdrachtopties voor andere subsystemen dan DB2 pureScale-subsystemen.
sqlcode: -1695
sqlstate: 56038
SQL1696N De precompilatie van de instructie is mislukt omdat de optie COMPATIBILITY_MODE ORA niet is opgegeven. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
U kunt het bronbestand verwerken van een toepassingsprogramma dat ingesloten SQL-instructies bevat, zodat een gewijzigd bronbestand wordt gegenereerd dat host-taalaanroepen voor de SQL-instructies bevat, en een pakket wordt gegenereerd in de database met behulp van de opdracht PRECOMPILE of PREP.
U kunt de manier waarop het bronbestand van de toepassing wordt gecompileerd configureren via de precompilatieopties van de opdracht PRECOMPILE. U kunt bijvoorbeeld functies inschakelen die de systeembelasting verkleinen van ingesloten SQL C-toepassingen van andere databasesystemen via de precompilatieoptie COMPATIBILITY_MODE ORA van de opdracht PRECOMPILE.
Dit bericht wordt geretourneerd wanner een functie wordt gebruikt waarvoor de precompilatieoptie COMPATIBILITY_MODE moet worden ingesteld op ORA, terwijl de optie COMPATIBILITY_MODE ORA niet is opgegeven.
De oorzaakcode oorzaakcode geeft de reden voor de precompilatiefout aan:
- 1
De precompilatieoptie UNSAFENULL is opgegeven zonder de vereiste optie COMPATIBILITY_MODE ORA .
- 2
De instructie "EXEC SQL COMMIT WORK RELEASE" of "EXEC SQL ROLLBACK WORK RELEASE", "EXEC SQL COMMIT RELEASE", of "EXEC SQL ROLLBACK RELEASE" is aangetroffen in de ingesloten SQL-code en de opdracht PRECOMPILE is gestart zonder de vereiste optie COMPATIBILITY_MODE ORA.
Instructie voor gebruiker
Voer de opdracht PRECOMPILE opnieuw uit, en geef daarbij de vereiste optie COMPATIBILITY_MODE ORA op.
SQL1697N De instructie kan niet worden geprecompileerd omdat een structuur van indicatorvariabelen is opgegeven die minder elementen bevat dan de bijbehorende structuur van hostvariabelen. Naam van structuur van indicatorvariabelen: variabelenaam. Aantal leden in de structuur van indicatorvariabelen: aantal-leden.
Verklaring
In ingesloten SQL-toepassingen kunnen gegevens over de inhoud van structuren van indicatorvariabelen worden opgeslagen in deze structuren zelf. Wanneer een structuur van indicatorvariabelen wordt opgegeven, moet het aantal leden in de structuur van indicatorvariabelen gelijk zijn aan dat van de bijbehorende structuur van hostvariabelen.
Dit bericht wordt geretourneerd wanneer het aantal leden in een structuur van indicatorvariabelen niet gelijk is aan dat in de bijbehorende structuur van hostvariabelen.
Instructie voor gebruiker
- Wijzig de ingesloten SQL-toepassing zodat het aantal leden in de structuur van indicatorvariabelen gelijk is aan dat in de bijbehorende structuur van hostvariabelen.
- Compileer en start de ingesloten SQL-toepassing opnieuw.
SQL1698N De opdracht START DATABASE MANAGER is mislukt voor een DB2 pureScale-subsysteem waarop fixpack-updates worden toegepast of zijn toegepast. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
De oorzaakcode geeft aan waarom de opdracht START DATABASE MANAGER is mislukt:
- 1
De installatie van de fixpack-update op het lid of de clustercachefunctie (CF) is beschadigd.
- 2
Tijdens een online fixpack-update is een poging gedaan om een lid of CF te starten met een codeniveau dat lager is dan het CECL (huidige codeniveau). Als u een lid of CF wilt starten, moet het codeniveau daarvan gelijk zijn aan of hoger zijn dan het CECL.
- 3
Tijdens een offline fixpack-update is er een poging gedaan om een lid of CF te starten met een codeniveau dat niet gelijk is aan het CECL. Als u een lid of CF wilt starten, moet het codeniveau daarvan gelijk zijn aan het CECL.
- 4
De installatie van de fixpack-update op een lid of CF is onvolledig.
- 5
De informatie over het CEAL en het CECL is onbruikbaar.
- 6
De DB-configuratieparameter CEAL of CECL heeft een ongeldige waarde.
- 7
De gegevens over het subsysteem ontbreken in configuratiebestand voor fixpack-updates.
Instructie voor gebruiker
Reageer op dit bericht door de overeenkomende actie voor de oorzaakcode uit te voeren:
- 1
Probeer de fixpack-update opnieuw uit te voeren.
- 2
Breng een update aan op het lid of de CF naar een codeniveau dat gelijk aan of hoger is dan het CECL. Start vervolgens het lid of de CF opnieuw.
- 3
Zorg dat alle leden en CF's een codeniveau hebben dat gelijk is aan het CECL. Start vervolgens het lid of de CF opnieuw.
- 4
Probeer de fixpack-update opnieuw uit te voeren.
- 6
Maak het subsysteem opnieuw.
- 7
Neem contact op met IBM Support voor hulp bij het corrigeren van het configuratiebestand.
SQL1699N Het opgegeven kenmerk voor de ledensubset is niet geldig. Oorzaakcode = oorzaakcode Naam kenmerk: naam-kenmerk Waarde: waarde
Verklaring
De instructie kan niet worden verwerkt vanwege de volgende oorzaakcode:
1
De vermelde waarde is alleen geldig in omgevingen met gedeelde gegevens.
2
U kunt het kenmerk catalogDatabaseAlias van een ledensubset niet wijzigen als u niet eveneens het kenmerk databaseAlias wijzigt.
3
De databasenaam kan niet worden gebruikt voor het kenmerk van een databasealias in een ledensubset.
Instructie voor gebruiker
De actie die overeenkomt met de oorzaakcode is als volgt:
1
Geef een andere kenmerkwaarde op bij de instructie voor de ledensubset.
2
Geef een nieuwe waarde op voor het kenmerk databaseAlias of laat de waarde van het kenmerk catalogDatabaseAlias ongewijzigd.
3
Geef een andere naam op voor de kenmerkwaarde databaseAlias.
sqlcode: -1699
sqlstate: 530AA
SQL1700N De gereserveerde schemanaam naam is gevonden in de database tijdens de database-upgrade.
Verklaring
De database bevat een of meer databaseobjecten die gebruik maken van de schemanaam naam. Deze naam is een gereserveerde schemanaam in de DB2-kopie waarnaar u de database wilt upgraden.
De opdracht kan niet worden uitgevoerd.
Instructie voor gebruiker
Zorg ervoor dat alle databaseobjecten die de gereserveerde schemanaam gebruiken, worden verwijderd. Maak de objecten opnieuw, en gebruik hierbij een andere schemanaam.
Maak de database-upgrade ongedaan en breng de correcties aan met de DB2-kopie waarop de database zich voor de upgrade bevond.
Zorg ervoor dat er geen gereserveerde schemanamen meer gebruikt worden, voordat u de database-upgrade opnieuw probeert uit te voeren.
Vervolgens voert u de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw uit vanaf de DB2-kopie waarnaar u de database wilt upgraden.
SQL1701N De database kan niet worden geüpgraded omdat de database abnormaal is afgesloten.
Verklaring
De database is abnormaal afgesloten (bijvoorbeeld als gevolg van een stroomstoring) voordat u probeerde de database de upgraden. U moet de database opnieuw starten voordat u de database kan upgraden.
De opdracht kan niet worden verwerkt.
Instructie voor gebruiker
U moet de opdracht RESTART DATABASE opnieuw geven met gebruik van de DB2-kopie waarop de database zich bevond voordat u de laatste keer probeerde de upgrade uit te voeren. Vervolgens voert u de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw uit vanaf de DB2-kopie waarnaar u de database wilt upgraden.
SQL1702W De protocol-verbindingsmanagers zijn gestart.
Instructie voor gebruiker
Geen actie vereist.
SQL1703W De directory db2event kan niet worden gemaakt gedurende de database-upgrade.
Verklaring
Het upgraden van de database is gelukt, maar de directory db2event kan niet worden gemaakt.
Dit is een waarschuwingsbericht. U hoeft geen actie te ondernemen.
Instructie voor gebruiker
De directory db2event moet worden gemaakt om de eventmonitor te kunnen gebruiken. De directory db2event moet worden gemaakt in de databasedirectory waar de geüpgrade database deel van uitmaakt. De databasedirectory van de geüpgrade database kan worden vastgesteld door de opdracht DATABASE DIRECTORY op te geven.
SQL1704N Database-upgrade is mislukt. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Database-upgrade is mislukt. De mogelijke oorzaakcodes zijn als volgt:
- 2
De database kan niet worden bijgewerkt want deze heeft mogelijk een van de volgende statussen:
- status Backup in behandeling
- status Herstel in behandeling
- status ROLLFORWARD in behandeling
- status Inconsistente transactie
- HADR heeft de database aangemerkt als inconsistent
- 3
De logboeken van de database zijn vol.
- 4
Onvoldoende ruimte op de schijf.
- 5
Het configuratiebestand van de database kan niet worden bijgewerkt.
- 7
Geen toegang tot de subdirectory van de database of tot een van de databasebestanden.
- 8
Het label van de databasecontainer kan niet worden bijgewerkt.
- 9
Toegang tot de tabelruimte is niet toegestaan.
- 17
Poging om nieuwe pagina toe te wijzen uit de tabelruimte van de systeemcatalogus is mislukt.
- 21
De database-upgrade is voltooid op de cataloguspartitie, maar niet op alle databasepartities. Er zijn databasepartities die niet kunnen worden bijgewerkt als gevolg van systeemfouten, zoals knooppuntfouten of verbindingsfouten.
- 22
De database-upgrade is mislukt omdat de cataloguspartitie niet kan worden bijgewerkt als gevolg van systeemfouten, zoals databasepartitiefouten of verbindingsfouten.
- 24
Fout bij het maken van de directory dbpath/db2event/db2detaildeadlock van de eventmonitor, waarbij dbpath het pad is dat wordt gebruikt voor het maken van de database.
- 25
De database-upgrade is mislukt omdat de shippingpositie in het logboek voor de primaire HADR-database niet overeenkomt met de replaypositie in het logboek voor de secundaire HADR-database.
Instructie voor gebruiker
Afhankelijk van de oorzaakcode, dient een van de volgende oplossingen te worden gekozen:
- 2
Maak de database-upgrade ongedaan en corrigeer de databasestatus. Dit doet u door het uitvoeren van de vereiste herstelprocedure in de DB2-kopie waarop de database zich voor de upgrade bevond. Voor HADR-systemen moet u de opdracht 'stop HADR' uitvoeren voordat u probeert de primaire HADR-database te upgraden. Voer de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw uit vanaf de DB2-kopie waarnaar u de database wilt upgraden.
- 3
Verhoog de waarde van de databaseconfiguratieparameters logfilsiz of logprimary. Geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op.
- 4
Zorg ervoor dat er voldoende schijfruimte is en geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op.
- 5
Er is een probleem opgetreden tijdens het bijwerken van een configuratiebestand van de database. Zorg ervoor dat het configuratiebestand van de database niet exclusief is toegewezen aan een gebruiker, en dat het kan worden bijgewerkt. Geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op. Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met IBM.
- 7
Herstel de database met behulp van de backup van de database.
- 8
Geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op. Neem contact op met IBM als het probleem zich blijft voordoen.
- 9
Maak de database-upgrade ongedaan en corrigeer de toegang tot de tabelruimte. Voer de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw uit vanaf de DB2-kopie waarnaar u de database wilt upgraden. Zie bericht SQL0290N voor de acties die worden aangeraden om de tabelruimte te corrigeren.
- 17
Als de DMS-tabelruimte of SMS-tabelruimte van de systeemcatalogus automatisch wordt opgeslagen, zorgt u ervoor dat er minimaal 50% vrije schijfruimte voor de tabelruimte van de systeemcatalogus beschikbaar is en werkt u de database bij. Als de tabelruimte van de systeemcatalogus een DMS-tabelruimte is. Maak de database-upgrade ongedaan en voeg meer containers toe aan de tabelruimte van de systeemcatalogus vanuit de DB2-kopie waarop de database zich voor de upgrade bevond. U dient rekening te houden met 50% vrije ruimte voor de database-upgrade. Voer de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw uit vanaf de DB2-kopie waarnaar u de database wilt upgraden.
- 21
Controleer het beheerlogboek om te bepalen welke databasepartities niet kunnen worden geüpgraded. Corrigeer de fout en geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op. Omdat de database-upgrade alleen plaatsvindt op databasepartities waarvoor de upgrade vereist is, kunt u de opdracht UPGRADE DATABASE vanaf elke databasepartitie opgeven.
- 22
Corrigeer de problemen met de databasepartities op de cataloguspartitie. Geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op.
- 24
Verwijder de eventmonitordirectory dbpath/db2event/db2detaildeadlock, waarbij dbpath het pad is dat wordt gebruikt voor het maken van de database. Geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op.
- 25
Stop de primaire database met de opdracht STOP HADR, en herhaal de opdracht UPGRADE DATABASE. De secundaire database moet nu opnieuw worden geïnitialiseerd.
SQL1705W De aanpassing van een indexgegeven van de database, aan het huidige releaselevel was niet mogelijk.
Verklaring
Een of meer van de databasealiassen kunnen niet worden bijgewerkt in de databasedirectory voor een database die zojuist is bijgewerkt vanaf een voorgaande release.
Instructie voor gebruiker
Verwijder databasealiassen uit de catalogus voor de bijgewerkte database en voeg ze opnieuw aan de catalogus toe met behulp van dezelfde informatie.
SQL1706W Er is ten minste één niet-lokale database gevonden in de knooppuntdirectory voor dit subsysteem tijdens het bijwerken van de woordgrootte van subsystemen.
Verklaring
Tijdens het uitvoeren van woordgrootte-update van subsystemen is er ten minste één database aangetroffen die niet in dit subsysteem is gemaakt. Zulke databases moeten dezelfde woordgrootte hebben als dit subsysteem, anders kan de update niet correct worden voltooid.
Instructie voor gebruiker
Zorg ervoor dat alle databases die in het subsysteem zijn opgenomen, dezelfde woordgrootte hebben.
SQL1707N De woordgrootte van het subsysteem kon niet worden bijgewerkt.
Verklaring
Er is een fout opgetreden tijdens een poging de woordgrootte van het subsysteem bij te werken. Neem contact op met uw IBM-vertegenwoordiger.
Instructie voor gebruiker
Neem contact op met IBM.
SQL1708W Upgrade van de database is voltooid met de waarschuwingscodewaarschuwingscode.
Verklaring
Database-upgrade is voltooid met een waarschuwing. De waarschuwingscodes zijn als volgt:
- 1
Een of meer databasepartities zijn niet geüpgraded.
Instructie voor gebruiker
Oplossing die mogelijk is op basis van de waarschuwingscodes:
- 1
Geef de opdracht UPGRADE DATABASE opnieuw op.
SQL1709N De instructie CREATE INDEX is mislukt omdat het sleutelwoord RANDOM is opgegeven en in de indexdefinitie functionaliteit is opgenomen die niet wordt ondersteund in combinatie met het sleutelwoord RANDOM. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
U kunt enkele typen conflicten voor indexpagina's in DB2 pureScale-omgevingen reduceren door willekeurige indexsleutels te maken. Als u het sleutelwoord RANDOM opgeeft voor een kolom, worden de indexsleutels voor die kolom willekeurig gemaakt.
Er gelden enkele beperkingen voor de functionaliteit die wordt ondersteund met het kenmerk RANDOM. Dit bericht wordt geretourneerd wanneer een instructie CREATE INDEX het sleutelwoord RANDOM bevat, maar andere functionaliteit in de indexdefinitie niet in combinatie met het sleutelwoord RANDOM kan worden gebruikt.
De oorzaakcode geeft meer specifiek aan waarom dit bericht wordt weergegeven:
- 1
Het sleutelwoord RANDOM is opgegeven voor een kolom van het type CHAR of VARCHAR, de database maakt gebruik van UCA-vergelijking en de kolom is niet gedefinieerd als FOR BIT DATA.
- 2
Het sleutelwoord RANDOM is opgegeven voor een kolom van het type GRAPHIC of VARGRAPHIC en de database maakt gebruik van UCA-vergelijking.
- 3
De indexdefinitie bevat een of meer op expressies gebaseerde sleutels.
Instructie voor gebruiker
Reageer in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
U kunt op een van de volgende manieren reageren op oorzaakcode 1:
- Voer de instructie CREATE INDEX opnieuw uit, en geef het sleutelwoord RANDOM op voor kolom met een gegevenstype dat wordt ondersteund in combinatie met het sleutelwoord RANDOM.
- Wijzig de kolom met behulp van de instructie ALTER TABLE zo dat deze wordt herkend als FOR BIT DATA, reorganiseer de tabel en voer de instructie CREATE INDEX opnieuw uit.
- 2
Voer de instructie CREATE INDEX opnieuw uit, en geef het sleutelwoord RANDOM op voor kolom met een gegevenstype dat wordt ondersteund in combinatie met het sleutelwoord RANDOM.
- 3
Voer de instructie CREATE INDEX opnieuw uit, hetzij met het sleutelwoord RANDOM, hetzij met een op een expressie gebaseerde sleutel. Echter niet met beide.
sqlcode: -1709
sqlstate: 42997
SQL1710N De bewerking kan niet worden uitgevoerd omdat de ledentopologieën van bron- en doelobject geen gemeenschappelijk lid bevatten.
Verklaring
De doel-ledentopologie bevat geen leden die ook voorkomen in de bron-ledentopologie. Bron- en doellid moeten ten minste één gemeenschappelijk lid hebben.
Instructie voor gebruiker
Voer de opdracht opnieuw uit voor een subsysteem met minimaal één gemeenschappelijk lid in de bron-ledentopologie.
SQL1712N De opdracht is mislukt. De bron- en doelledentopologieën verschillen van elkaar en de bron- en doelsubsystemen zijn niet van hetzelfde databaseproductniveau. Opdracht: opdrachttoken
Verklaring
De opgegeven opdracht is mislukt omdat de volgende situatie van toepassing zijn:
- De bron- en doelledentopologieën verschillen van elkaar en
- de bron- en doelsubsystemen zijn niet van hetzelfde databaseproductniveau.
Om de opgegeven opdracht te kunnen uitvoeren, moet u een van deze situaties opheffen.
Instructie voor gebruiker
U kunt het volgende doen:
- Upgrade de down-level brondatabase naar het hogere niveau en voer de opdracht opnieuw uit, of
- zorg dat de topologieën met elkaar overeenkomen, door leden toe te voegen aan of te verwijderen uit de bron- of doelledentopologie.
SQL1713N De opdracht CATALOG DATABASE is mislukt. Een of meer bestanden in de directory's van de ledendatabase behoren niet tot dezelfde database.
Verklaring
De opdracht is mislukt omdat een inconsistentie is aangetroffen in minimaal één van de bestanden.
Instructie voor gebruiker
Verwijder de leden die niet tot deze database behoren uit de directory's van de ledendatabase en geef daarna de opdracht opnieuw op.
SQL1714N De ROLLFORWARD-opdracht is mislukt omdat deze is uitgevoerd voor een lid dat niet aanwezig was in de brontopologie van leden.
Verklaring
Als na het uitvoeren van een bewerking voor backup en herstel, in de doelledentopologie alle lid-ID's van de bronledentopologie aanwezig zijn, kunt u een ROLLFORWARD uitvoeren via een of meer events voor het toevoegen van leden in de transactielogboeken. De opdracht ROLLFORWARD moet echter worden uitgevoerd vanaf een lid dat in de bronledentopologie aanwezig was op het moment van het maken van de backup.
Instructie voor gebruiker
Voer opnieuw de opdracht ROLLFORWARD uit, vanaf een lid dat aanwezig was in de oorspronkelijke ledentopologie.
SQL1715N De rollforward-bewerking heeft een event voor het toevoegen van leden aangetroffen voor een lid dat niet aanwezig is in de huidige ledentopologie.
Verklaring
Als tijdens het uitvoeren van een ROLLFORWARD een logboekrecord voor het toevoegen van een lid wordt aangetroffen, moet dat lid aanwezig zijn in de ledentopologie.
Instructie voor gebruiker
Voeg het lid toe dat aanwezig is in de bronledentopologie maar niet in de huidige ledentopologie. Voer de opdracht ROLLFORWARD opnieuw uit.
SQL1716N Wijziging of verwijdering van het lid is mislukt, want de resulterende subset heeft geen primaire lid.
Verklaring
Een ledensubset moet ten minste één primair lid bevatten.
Instructie voor gebruiker
Voordat u het lid verwijdert of wijzigt, moet u een ander primair lid toevoegen aan de subset. Als u nog een lid aan de subset wilt toevoegen, gebruik dan de routine SYSPROC.WLM_ALTER_MEMBER_SUBSET. Als u de ledensubset niet meer nodig hebt, kunt u de ledensubset verwijderen met de instructie WLM_DROP_MEMBER_SUBSET.
sqlcode: -1716
sqlstate: 530AB
SQL1717N Verbinding met de databasealias is geweigerd omdat de toepassing is toegewezen aan een uitgeschakelde ledensubset. Databasealias: databasealias-token Ledensubset: ledensubset-token
Verklaring
De verbindingsaanvraag is afgewezen omdat de toepassing is toegewezen aan een uitgeschakelde ledensubset.
Instructie voor gebruiker
U kunt verbinding maken met een andere databasealias of de ledensubset inschakelen. Voor het inschakelen van de ledensubset maakt u gebruik van de beheerroutine voor het wijzigen van de ledensubset, WLM_ALTER_MEMBER_SUBSET.
sqlcode: -1717
sqlstate: 08001
SQL1718N De databasealias database_alias kan niet worden verwijderd uit de catalogus.
Verklaring
Als een databasealias in de catalogus is opgenomen met de ledensubset-routine WLM_CREATE_MEMBER_SUBSET, moet de databasealias ook met een ledensubset-routine worden verwijderd uit de catalogus. U kunt de opdracht UNCATALOG DB of de API sqleuncd() niet gebruiken voor het uit de catalogus verwijderen van deze databasealias.
Instructie voor gebruiker
Verwijder de databasealias uit de catalogus met behulp van de ledensubset-routine WLM_DROP_MEMBER_SUBSET.
SQL1719N De SQL-instructie is mislukt omdat kolomgeorganiseerde tabellen niet worden ondersteund. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Kolomgeorganiseerde tabellen worden niet ondersteund wanneer bepaalde situaties waar zijn. Deze situaties worden aangegeven met de volgende oorzaakcodes:
- 1
Intrapartitionele parallelle verwerking is uitgeschakeld.
- 2
De functie voor partitionering van databases is ingeschakeld.
- 3
De functie DB2 pureScale is ingeschakeld.
Instructie voor gebruiker
Voer de actie behorend bij de oorzaakcode uit om ondersteuning voor kolomgeorganiseerde tabellen in te schakelen:
- 1
Schakel intrapartitionele parallelle verwerking in en geef de SQL-instructie opnieuw op.
- 2
Maak de tabel opnieuw als rijgeorganiseerde tabel en geef de SQL-instructie opnieuw op.
- 3
Maak de tabel opnieuw als rijgeorganiseerde tabel en geef de SQL-instructie opnieuw op.
sqlcode: -1719
sqlstate: 56038
SQL1720N Het enige lid kan niet worden verwijderd.
Verklaring
U kunt het enige lid waarmee de database verbinding kan maken, niet verwijderen omdat het verwijderen van het lid resulteert in het verwijderen van de database. De database moet eerst worden verwijderd.
Instructie voor gebruiker
Verwijder eerst de database en daarna het lid.
SQL1721N Het starten van de databasemanager is mislukt vanwege een probleem met een configuratiebestand dat nodig is voor RDMA.
Verklaring
In DB2 pureScale-omgevingen kunt u opgeven dat voor de communicatie tussen de clustercachefunctie (CF) en DB2-leden wordt gewerkt met RDMA (Remote Direct Memory Access), door de configuratieparameter van de databasemanager, CF_TRANSPORT_METHOD, in te stellen op "RDMA".
Dit bericht treedt op als de configuratieparameter CF_TRANSPORT_METHOD is ingesteld op "RDMA" en er een probleem is met configuratiebestanden met betrekking tot RDMA-functies.
Voorbeelden van problemen die de oorzaak kunnen zijn van dit bericht:
- Het DAT (direct access transport)-configuratiebestand, dat.conf, ontbreekt of bevat ongeldige items
- Bestanden ontbreken in het OpenFabrics Enterprise Distribution (OFED)-pakket
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit foutbericht reageren:
- Als het gebruik van RDMA niet nodig is, kunt u de instelling opheffen van de configuratieparameter CF_TRANSPORT_METHOD voor de databasemanager.
- Om te kunnen werken met RDMA, controleert u de bestanden voor de DAT-configuratie, zoals het bestand dat.conf, en het bestand behorend bij de OFED-software.
SQL1722N De configuratieparameter is niet bijgewerkt omdat het sleutelwoord MEMBER is gebruikt, terwijl de configuratieparameter niet per lid kan worden ingesteld op een bepaalde waarde. Configuratieparameter: configuratieparameter. Opgegeven waarde: opgegeven-waarde.
Verklaring
U kunt aspecten van uw databasemanagersubsysteem configureren met behulp van de opdracht UPDATE DATABASE MANAGER CONFIGURATION, voor het instellen van configuratieparameters voor de databasemanager. U kunt aspecten van afzonderlijke databases configureren met behulp van de opdracht UPDATE DATABASE CONFIGURATION, voor het instellen van configuratieparameters voor de database.
In een DB2 pureScale-omgeving kunnen sommige configuratieparameters lokaal, per lid, worden ingesteld. Wanneer u een lokale waarde instelt voor een bepaald DB2-lid, vervangt de lokale waarde de algemene waarde (voor gehele subsysteem of database). Om een configuratieparameter lokaal in te stellen voor een bepaald lid, geeft u het sleutelwoord MEMBER op in de opdracht UPDATE DATABASE MANAGER CONFIGURATION of UPDATE DATABASE CONFIGURATION.
Sommige configuratie-instellingen zijn geldig als algemene instellingen, maar worden niet ondersteund als instellingen voor een afzonderlijk lid. Dit bericht wordt geretourneerd als wordt geprobeerd een configuratieparameter lokaal voor een DB2-lid in te stellen op een waarde die niet wordt ondersteund voor een afzonderlijk lid.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit bericht reageren:
- Om de configuratieparameter in te stellen op de opgegeven algemene waarde, geeft u de opdracht opnieuw op, maar zonder het sleutelwoord MEMBER.
- Om de configuratieparameter in te stellen voor een afzonderlijk lid, raadpleegt u de ondersteunde waarden voor de configuratieparameters en geeft u de opdracht opnieuw op met alleen ondersteunde waarden.
SQL1723N De instructie CREATE TABLESPACE of ALTER TABLESPACE is mislukt omdat een cacheoptie voor het bestandssysteem is opgegeven die in de huidige omgeving niet wordt ondersteund.
Verklaring
Met behulp van een bestandscache kunt u recent gebruikte gegevens opslaan op een schijfstation om bij volgende aanroepen van dezelfde gegevens deze snel te kunnen openen. Door de bestandssysteemcache in te schakelen kunt u uw databaseprestaties verbeteren als u vaak dezelfde set van gegevens gebruikt.
Er gelden echter beperkingen en vereisten voor het gebruik van bestandscache. Maar in sommige omgevingen er gelden ook beperkingen en vereisten voor het niet gebruikmaken van de bestandscache. Dit bericht wordt geretourneerd wanneer wordt geprobeerd bestandssysteemcache wel of juist niet te gebruiken in een omgeving waarin dit niet wordt ondersteund, bijvoorbeeld bij een schijfsectorgrootte die niet wordt ondersteund.
Instructie voor gebruiker
- Bekijk de ondersteunde configuraties voor bestandssysteemcache.
- Hef de opgetreden beperking op of zorg dat aan het ontbrekende vereiste wordt voldaan door een of meer van de volgende acties voor probleemoplossing:
- Wijzig de omgeving: formatteer de doelschijf zodat deze de juiste sectorgrootte krijgt.
- Wijzig de instructie: schakel het gebruik van bestandssysteemcache in met behulp van de optie FILE SYSTEM CACHING.
- Geef de instructie opnieuw op.
SQL1724W De tabel tabelnaam is gemaakt als kolomgeorganiseerde tabel. De configuratieparameters SORTHEAP en/of SHEAPTHRES_SHR zijn momenteel echter ingesteld op een waarde die niet kan worden gebruikt voor kolomgeorganiseerde tabellen.
Verklaring
U kunt automatische optimalisatie voor sorteergeheugen inschakelen door instelling van de databaseconfiguratieparameters SORTHEAP en SHEAPTHRES_SHR op "AUTOMATIC".
Automatische optimalisatie voor sorteergeheugen wordt niet ondersteund voor kolomgeorganiseerde tabellen.
Dit bericht wordt geretourneerd wanneer een kolomgeorganiseerde tabel wordt gemaakt, terwijl minimaal een van beide volgende configuratieparameters is ingesteld op "AUTOMATIC": SORTHEAP en SHEAPTHRES_SHR.
Instructie voor gebruiker
Als u gebruik wilt maken van kolomgeorganiseerde tabellen, moet u de beide configuratieparameters SORTHEAP en SHEAPTHRES_SHR instellen op een vaste waarde.
SQL1725N De opgegeven actie kan niet worden uitgevoerd, want de status van de onzekere transactie is gewijzigd nadat u de opdracht LIST INDOUBT TRANSACTIONS hebt gegeven.
Verklaring
Wanneer u op de client de opdracht LIST INDOUBT TRANSACTIONS uitvoert, retourneert deze de huidige status van de onzekere transacties. De uitvoer op de client wordt echter niet vernieuwd als de status op de server verandert. Als de status van een onzekere transactie niet is gesynchroniseerd tussen de server en de client, kunt u mogelijk niet alle acties uitvoeren die als geldige opties worden vermeld in de uitvoer van de opdracht LIST INDOUBT TRANSACTIONS.
Instructie voor gebruiker
Sluit het interactieve venster af en herhaal de opdracht LIST INDOUBT TRANSACTIONS om de meest recente status van de onzekere transacties op de server op te halen.
SQL1726N De databasemanager is niet gestart omdat de configuratieparameter CF_TRANSPORT_METHOD is ingesteld op "TCP" terwijl de Ethernet-kaart niet minimaal 10GE is.
Verklaring
In DB2 pureScale-omgevingen kunt u opgeven dat voor de communicatie tussen de clustercachefunctie (CF) en DB2-leden wordt gewerkt met sockets, door de configuratieparameter CF_TRANSPORT_METHOD van de databasemanager in te stellen op "TCP". Als u voor de communicatie sockets wilt gebruiken, moet u minimaal een 10GE Ethernet-kaart gebruiken.
Dit bericht wordt geretourneerd wanneer de configuratieparameter CF_TRANSPORT_METHOD wordt ingesteld op "TCP" terwijl er geen Ethernet-kaart van minimaal 10GE is geconfigureerd.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit bericht reageren:
- Voer om gebruik te maken van socketscommunicatie een van de volgende taken uit:
- Configureer een 10GE-netwerk.
- Stel voor gebruik van een Ethernet-kaart van minimaal 10GE de registervariabele DB2_SD_ALLOW_SLOW_NETWORK in op ON.
- Als u een andere communicatiemethode wilt gebruiken, moet u de configuratieparameter CF_TRANSPORT_METHOD instellen p een andere waarde, bijvoorbeeld "RDMA".
SQL1727N De instructie is niet geprecompileerd omdat de volgende hostvariabelenarray of structuurarray een niet-ondersteund gegevenstype bevat: variabele.
Verklaring
Voor de precompilatieoptie COMPATIBILITY_MODE ORA kunt u in een ingesloten SQL-instructie gebruikmaken van hostvariabelenarrays, structuurarrays en indicatorarrays. Een hostvariabelenarray of structuurarray die voor een instructie INSERT, UPDATE of DELETE wordt gedeclareerd, moet ondersteunde gegevenstypen bevatten.
Instructie voor gebruiker
- Verwijder de niet-ondersteunde gegevenenstypen uit de gedeclareerde hostvariabelenarrays of structuurarrays.
- Precompileer de gewijzigde ingesloten SQL-toepassing.
SQL1728N De opdracht of bewerking is mislukt omdat er geen toegang is tot de keystore. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels in een keystorebestand opgeslagen. U kunt deze functionaliteit pas gebruiken als u de volgende instellings- en configuratietaken uitvoert:
- Maak een keystorebestand (ook wel een sleuteldatabase genoemd) voor het opslaan van versleutelingsobjecten, zoals persoonlijke sleutels.
- Configureer de databasemanager voor het gebruik van het keystorebestand door versleutelingsconfiguratieparameters in te stellen, bijvoorbeeld KEYSTORE_TYPE en KEYSTORE_LOCATION.
- Beheer wachtwoorden voor het verkrijgen van toegang tot het keystorebestand (sla het wachtwoord bijvoorbeeld op in een stashbestand).
Dit bericht wordt weergegeven wanneer de databasemanager er bij het uitvoeren van verschillende typen bewerkingen niet in slaagt informatie uit het keystorebestand op te halen of bij te werken:
- Maken van een versleutelde database
- Maken van een versleuteld backupimage van een database
- Herstellen van een versleuteld backupimage
- Opgeven van een DB2-opdracht, zoals db2cklog, voor een versleutelde database
Met de oorzaakcode wordt meer specifiek de reden van de fout aangegeven:
- 1
De volgende databaseconfiguratieparameters zijn niet ingesteld op geldige en compatibele waarden: KEYSTORE_LOCATION, KEYSTORE_TYPE.
- 2
Het keystorebestand dat is opgegeven in de databaseconfiguratieparameter KEYSTORE_LOCATION bestaat niet.
- 3
Er is geen wachtwoord opgegeven (het wachtwoord dat vereist is voor het openen van de keystore is niet opgeslagen in een stashbestand en er is geen wachtwoord opgegeven in de opdracht).
- 4
Met het opgegeven wachtwoord (het wachtwoord dat is opgeslagen in het stashbestand of dat is opgegeven in de opdracht) kan geen toegang worden verkregen tot het keystorebestand.
- 5
Oorzaak 5 kan om drie algemene redenen worden weergegeven:
- Het databasemanagerproces is uitgevoerd met het ID van de instance-eigenaar, en dit ID beschikt niet over lees- en schrijfmachtiging voor het keystorebestand.
- Er is een DB2-programma opgeroepen door een andere gebruiker dan de instance-eigenaar.
- De schijf met het keystorebestand heeft onvoldoende ruimte.
- 6
De databasemanager heeft de inhoud van het keystorebestand niet kunnen verwerken.
Voorbeeld: Als de databasemanager is geconfigureerd voor het gebruik van een keystorebestand dat voldoet aan de standaard PKCS#12, maar de indeling van het keystorebestand voldoet niet aan de standaard PKCS#12, kan de databasemanager het keystorebestand niet gebruiken.
- 7
Er is een fout opgetreden in een GSKit-opdracht (IBM Global Security Kit). De gegevens over de GSKit-fout zijn weggeschreven naar het db2diag-diagnoselogboek.
Instructie voor gebruiker
Los het probleem op aan de hand van de oorzaakcode en geeft de opdracht vervolgens opnieuw op:
- 1
Stel de beide databaseconfiguratieparameters KEYSTORE_LOCATION en KEYSTORE_TYPE in op geldige en compatibele waarden.
- 2
Stel de databaseconfiguratieparameter KEYSTORE_LOCATION in op een geldige bestandsnaam.
- 3, 4
Geef op een van de volgende manieren een geldig wachtwoord voor het verkrijgen van toegang tot het keystorebestand door aan de databaseserver:
- Genereer het stashbestand opnieuw
- Geef het keystorewachtwoord op als argument bij de opdracht
- 5
Als de oorzaakcode 5 is, kunt u het volgende doen:
- Stel de machtigingen voor het keystorebestand zo in dat het bestand alleen toegankelijk is voor lezen en schrijven door de instance-eigenaar.
- Roep versleutelingsgerelateerde DB2-programma's, zoals dbckbkup, op als instance-eigenaar.
- Als dit bericht wordt geretourneerd omdat de schijf met het sleutelringbestand vol is, vergroot dan de beschikbare ruimte op die schijf.
- 6
Herstel het huidige keystorebestand met behulp van een backup.
- 7
Controleer de GSKit-fout in het db2diag-diagnoselogboek, corrigeer het probleem dat de GSKit-fout veroorzaakt en geef de opdracht vervolgens opnieuw op. Als de GSKit-fout zich blijft voordoen, neem dan contact op met IBM Software Support voor assistentie.
SQL1729N De opdracht is mislukt omdat het label label niet in de keystore is aangetroffen.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Er wordt toegang tot sleutels verkregen via een hoofdsleutellabel, dat ook is opgeslagen in de keystore. Wanneer u DB2-opdrachten opgeeft voor databases die geconfigureerd zijn voor deze functionaliteit, moet de databasemanager de juiste sleutel opzoeken met behulp van een label:
- U kunt het label opgeven als parameter bij de opdracht.
- Als u geen label opgeeft, gebruikt de databasemanager het label dat is geconfigureerd voor de database.
Dit foutbericht wordt weergegeven wanneer er een label is opgegeven via een opdrachtparameter, maar het opgegeven label niet is gevonden in de keystore.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit foutbericht reageren:
- Geef de opdracht nogmaals op, waarbij u een label opgeeft dat voorkomt in de keystore.
- Geef de opdracht nogmaals op zonder dat u een label opgeeft. Hierdoor wordt automatisch het label gebruikt dat is geconfigureerd voor de database.
SQL1730N De opdracht of bewerking is mislukt omdat het hoofdsleutellabel niet voorkomt in de keystore. Gebruikte label: label. Bestandstypenummer: bestandstypenummer. Bestandsnaam: bestandsnaam.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Wanneer u DB2-opdrachten opgeeft voor databases die geconfigureerd zijn voor deze functionaliteit, moet de databasemanager de juiste sleutel opzoeken met behulp van een label:
- U kunt het label opgeven als parameter bij de opdracht.
- Als u geen label opgeeft, gebruikt de databasemanager het label dat is geconfigureerd voor de database. Soms slaat de databasemanager een label op in een logboekbestand, een configuratiebestand of een backupimage. Vervolgens wordt dit opgeslagen label indien nodig opgehaald.
Dit bericht wordt weergegeven als de databasemanager een label ophaalt dat is gebruikt in eerdere bewerkingen (bijvoorbeeld opgeslagen in een logboekbestand), maar het label niet is gevonden in de huidige keystore. Deze fout kan optreden in verschillende situaties, zoals in de volgende voorbeelden:
- Er is een label uit de keystore verwijderd.
- Er is een oudere kopie van de keystore teruggezet en in de teruggezette kopie ontbreekt het label.
- Een label dat in de eerder gebruikte keystore wel beschikbaar was, is niet gemigreerd naar de momenteel geconfigureerde keystore.
- Er is geprobeerd een backupimage dat verwijst naar een label terug te zetten, maar dit label komt niet voor in de keystore op de host waarop de herstelbewerking plaatsvindt.
- Er is geprobeerd een ROLLFORWARD uit te voeren op transacties in gearchiveerde logboekbestanden die verwijzen naar een label, maar dit label komt niet voor in de keystore die gebruikt wordt om de transacties te herhalen.
- De inhoud van de keystore waarin een primaire HADR-database zich bevindt, komt niet overeen met de inhoud van de keystore waarin de overeenkomende secundaire database zich bevindt.
Het runtime token bestandsnaam geeft de naam aan van het bestand waarin het hergebruikte label zich bevond. Het runtime token bestandstypenummer geeft het type bestand aan waarin het hergebruikte label zich bevond:
- 1
Databaselogbestand
- 2
Configuratiebestand
- 3
Backupimage
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit foutbericht reageren:
- Als het keystorebestand niet meer up-to-date is (omdat er bijvoorbeeld een label is verwijderd), herstelt u een backupversie van de keystore.
- Als de keystores niet gesynchroniseerd zijn op twee hostmachines die betrokken zijn bij een bewerking (zoals een paar primaire en secundaire HADR-databases of als een backupimage op de ene host terug wordt gezet op een andere host), synchroniseert u de twee keystores. Vervolgens geeft u de opdracht opnieuw op.
SQL1731C De versleutelingsbewerking is mislukt. Databasenaam: databasenaam. Logbestand:logbestandsnaam. Databasepartitienummer: databasepartitienummer. Logboekstream-ID: logboekstream-ID.
Verklaring
U kunt gegevens in databases versleutelen met behulp van de IBM DB2 Encryption Offering.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer een versleutelingsbewerking is mislukt vanwege een cruciale, interne fout.
Instructie voor gebruiker
Verzamel diagnosegegevens, waaronder het logbestand dat is opgegeven in het runtimetoken logbestandsnaam en de db2diag-diagnoselogboeken. Neem vervolgens contact op met IBM Software Support voor assistentie.
SQL1732N De opdracht is mislukt omdat de opgegeven versleutelingsopties niet gezamenlijk of niet in deze omgeving worden ondersteund.
Verklaring
Als u gebruik wilt maken van native DB2-versleuteling moet u versleutelingsopties opgeven in de databaseconfiguratieparameter ENCROPTS of via de opdrachtparameter ENCROPTS.
De waarde van de databaseconfiguratieparameter ENCROPTS en de opdrachtparameter ENCROPTS moet bestaan uit een tekenreeks, in een bepaalde notatie, waarmee een combinatie van versleutelingsgerelateerde configuratiegegevens wordt aangegeven.
Dit bericht wordt weergegeven als er een incompatibele of niet-ondersteunde combinatie van configuratiegegevens wordt opgegeven.
Instructie voor gebruiker
Corrigeer de configuratiegegevens die zijn opgegeven in de configuratieparameter ENCROPTS of de opdrachtparameter ENCROPTS, en geef de opdracht vervolgens opnieuw op.
SQL1733N De opdracht is niet uitgevoerd omdat het opgegeven label te lang is.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Er wordt toegang tot sleutels verkregen via een hoofdsleutellabel, dat ook is opgeslagen in de keystore. Het label wordt op een van de volgende twee manieren gemaakt:
- U maakt het label wanneer u handmatig een sleutel maakt.
- De databasemanager genereert een label bij het maken van een sleutel.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer er een handmatig gemaakt label wordt opgegeven voor een opdracht, en het label langer is dan de ondersteunde lengte voor een label.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht opnieuw op, waarbij u een label met een ondersteunde lengte opgeeft.
SQL1734N De opdracht of bewerking is mislukt omdat de hoofdsleutel niet een ondersteunde lengte heeft.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling wordt gebruikgemaakt van een hoofdsleutel om de versleuteling van gegevens in database te beheren. De hoofdsleutel voor een database kan op twee manieren worden gemaakt:
- U kunt handmatig een hoofdsleutel maken, en het label voor deze sleutel opgeven (bijvoorbeeld met de instructie CREATE DATABASE).
- U kunt de databasemanager een hoofdsleutel voor een database laten genereren.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer het label van een handmatig gemaakte hoofdsleutel is opgegeven via een opdracht of instructie, maar de lengte van de handmatig gemaakte sleutel niet wordt ondersteund door de functie voor native DB2-versleuteling.
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht opnieuw op, waarbij het label van de hoofdsleutel een ondersteunde lengte heeft.
SQL1735N De opdracht RESTORE is mislukt omdat het label van de codeersleutel dat in de opdracht is opgegeven, niet overeenkomt met het label dat is gebruikt voor de versleuteling van het backupimage.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Er wordt toegang tot sleutels verkregen via een hoofdsleutellabel, dat ook is opgeslagen in de keystore. Wanneer u DB2-opdrachten opgeeft voor databases die geconfigureerd zijn voor deze functionaliteit, moet de databasemanager de juiste sleutel opzoeken met behulp van een label:
- U kunt het label opgeven als parameter bij de opdracht.
- Als u geen label opgeeft, gebruikt de databasemanager het label dat is geconfigureerd voor de database.
Bij het maken van een versleuteld backupimage kunt u meerdere hoofdsleutellabels opgeven. Wanneer u een versleutel backupimage herstelt, moet u een van de hoofdsleutellabels opgeven die zijn gebruikt bij het maken van het backupimage.
Dit bericht wordt weergegeven als er wordt geprobeerd een backupimage te herstellen, waarbij er een hoofdsleutellabel wordt opgegeven dat niet is gebruikt bij het maken van het backupimage.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit foutbericht reageren:
- Geef de opdracht RESTORE zonder label op om te zorgen dat de herstelfunctie het juiste hoofdsleutellabel opzoekt.
- Bepaal handmatig welke hoofdsleutellabels er voor het maken van het backupimage zijn gebruikt door de opdracht RESTORE op te geven in combinatie met "show master key details" voor de parameter ENCROPTS. Geef vervolgens bij het uitvoeren van de herstelbewerking een van de labels op die zijn gebruikt voor het maken van het backupimage.
SQL1736N De opdracht voor het ophalen van het wachtwoord voor de keystore is mislukt. Oorzaakcode = oorzaakcode.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Wanneer u DB2-opdrachten opgeeft (bijvoorbeeld de opdracht START DATABASE MANAGER) in een omgeving die is geconfigureerd voor het gebruik van deze functionaliteit, zoekt de databasemanager de sleutels op in de keystore.
De keystore wordt beschermd door een wachtwoord. De databasemanager kan de codeersleutel alleen opzoeken als het wachtwoord voor de keystore op een van de twee volgende manieren wordt doorgegeven:
- Het wachtwoord kan worden opgeslagen in een stashbestand.
- Het wachtwoord kan worden opgegeven met een parameter voor DB2-opdrachten.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer de wachtwoordinformatie voor de keystore wordt opgegeven met een parameter voor een DB2-opdracht, maar de databasemanager de via de parameter opgegeven wachtwoordinformatie niet kan gebruiken.
De oorzaakcode geeft meer specifiek aan welke fout er in de databasemanager is opgetreden bij de verwerking van de opgegeven wachtwoordinformatie:
- 1
De wachtwoordinformatie kan niet worden verwerkt omdat de indeling van het argument niet is herkend.
- 2
Het argument is verwerkt door de opdracht, maar de opgegeven wachtwoordinformatie kan niet worden gebruikt (bijvoorbeeld omdat de opgegeven bestandsnaam niet bestaat).
Instructie voor gebruiker
Geef de opdracht nogmaals op, waarbij het argument is gecorrigeerd in overeenstemming met de oorzaakcode:
- 1
Geef de wachtwoordinformatie op met behulp van een geldige tekenreeksindeling.
- 2
Geef het juiste wachtwoord, een open, leesbare bestands-handle, of de naam van een bestaand bestand op.
SQL1737N De opdracht of bewerking is mislukt omdat de database niet versleuteld is.
Verklaring
U kunt gegevens in databases versleutelen met behulp van native DB2-versleuteling. U kunt versleutelingsacties uitvoeren op versleutelde databases door versleutelingsparameters voor opdrachten op te geven of door gebruik te maken van de ingebouwde opgeslagen procedure ADMIN_ROTATE_MASTER_KEY.
Dit bericht wordt weergegeven als een poging wordt gedaan om native DB2-versleutelingsacties uit te voeren op een niet-versleutelde database.
Instructie voor gebruiker
U kunt op een van de volgende manieren op dit foutbericht reageren:
- Geef de opdracht opnieuw op zonder hierbij de parameters op te geven die specifiek bedoeld zijn voor native DB2-versleuteling.
- Geef de opdracht opnieuw op voor een versleutelde database.
SQL1738N De opdracht is niet uitgevoerd omdat er geen label is opgegeven.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Er wordt toegang tot sleutels verkregen via een hoofdsleutellabel, dat ook is opgeslagen in de keystore. Over het algemeen wordt het label op een van de volgende twee manieren opgegeven:
- U kunt een label opgeven bij een opdrachtparameter.
- U kunt een nieuw label genereren met de databasemanager of het bestaande label gebruiken dat voor de database is geconfigureerd.
Er zijn gevallen waarin altijd een label voor de hoofdsleutel moet worden opgegeven. Dit bericht wordt weergegeven wanneer er een label moet worden opgegeven, maar dit niet gebeurd is.
- De opgeslagen procedure ADMIN_ROTATE_MASTER_KEY wordt opgegeven in een HADR-omgeving.
- De opdracht BACKUP wordt bij de ENCRYPT-clausule opgegeven om een versleuteld backupimage van een niet-versleutelde database te maken.
Instructie voor gebruiker
Voer de opdracht nogmaals uit, waarbij u een label voor de hoofdsleutel opgeeft.
SQL1739N De opdracht of bewerking is mislukt omdat de waarde die is opgegeven voor de parameter ENCROPTS ongeldig is.
Verklaring
Als u gebruik wilt maken van native DB2-versleuteling moet u versleutelingsopties opgeven in de databaseconfiguratieparameter ENCROPTS of via de opdrachtparameter ENCROPTS.
De waarde van de databaseconfiguratieparameter ENCROPTS en de opdrachtparameter ENCROPTS moet bestaan uit een tekenreeks, in een bepaalde notatie, waarmee een combinatie van versleutelingsgerelateerde configuratiegegevens wordt weergegeven.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer de databasemanager niet in staat is de configuratiegegevens in de configuratieparameter ENCROPTS of de opdrachtparameter ENCROPTS te ontleden, omdat de notatie van de opgegeven tekenreeks ongeldig is.
Instructie voor gebruiker
Corrigeer de configuratiegegevens die zijn opgegeven in de configuratieparameter ENCROPTS of de opdrachtparameter ENCROPTS, en geef de opdracht vervolgens opnieuw op.
SQL1740N De sleutelrotatie is mislukt. Oorzaakcode: oorzaakcode.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling wordt gebruikgemaakt van een hoofdsleutel om de versleuteling van gegevens in database te beheren. U kunt de hoofdsleutel voor een database roteren met behulp van de ingebouwde opgeslagen procedure ADMIN_ROTATE_MASTER_KEY.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer het roteren van de hoofdsleutel vanwege een interne fout is mislukt. De oorzaakcode, die IBM Support-medewerkers meer informatie biedt, geeft meer specifiek de aard van het onderliggende probleem aan:
- 1
Er zijn andere geheugenbeheerfouten dan onvoldoende geheugen opgetreden.
- 2
Er zijn interne signaalbufferfouten opgetreden.
- 3
Er is geprobeerd een sleutelrotatie uit te voeren op een gepartitioneerd systeem waarin niet alle databasepartities actief zijn.
Instructie voor gebruiker
Voer de bewerking nogmaals uit in geval van oorzaakcodes 1 en 2.
In geval van oorzaakcode 3 wacht u tot alle databasepartities actief zijn en vervolgens geeft u de opdracht opnieuw op.
Als deze fout zich blijft voordoen, verzamel dan diagnosegegevens, waaronder db2diag-diagnoselogboeken. Neem vervolgens contact op met IBM Software Support voor assistentie.
SQL1741N De opdracht of bewerking is mislukt omdat de hoofdsleutel voor hoofdsleutellabel label is gewijzigd.
Verklaring
Bij native DB2-versleuteling worden de codeersleutels opgeslagen in een keystore. Er wordt toegang tot sleutels verkregen via een hoofdsleutellabel, dat ook is opgeslagen in de keystore. Het label wordt op een van de volgende twee manieren gemaakt:
- U maakt het label wanneer u handmatig een sleutel maakt.
- De databasemanager genereert een label bij het maken van een sleutel.
Wanneer er een label is gemaakt voor een sleutel, kan de sleutel voor dit label niet meer worden gewijzigd. Dit bericht wordt weergegeven wanneer de sleutel voor een hoofdsleutellabel is gewijzigd.
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom de sleutel voor het hoofdsleutellabel gewijzigd lijkt te zijn, bijvoorbeeld in de volgende voorbeelden:
- Hetzelfde label wordt gebruikt voor verschillende sleutels in verschillende keystores.
- De sleutel is per ongeluk handmatig gewijzigd.
Instructie voor gebruiker
Voer de volgende stappen voor probleemoplossing uit:
- Controleer of de keystore de juiste hoofdsleutel en het juiste hoofdsleutellabel bevat.
- Herstel zo nodig het label op basis van het meest recente backupimage van de keystore, en herhaal de opdracht of bewerking.
SQL1742N De primaire sleutel is niet gemaakt omdat de kolommen van de definitie van de primaire sleutel niet overeenkomen met de kolommen van een unieke voorwaarde of een primaire-sleutelvoorwaarde op de basistabel.
Verklaring
U kunt een primaire sleutel maken op een schaduwtabel. Er zijn echter enkele vereisten en beperkingen met betrekking tot het maken van een primaire sleutel op schaduwtabel. Dit bericht wordt geretourneerd wanneer er wordt geprobeerd een primaire sleutel te maken op een schaduwtabel, maar er geen bijbehorende unieke voorwaarde of een primaire-sleutelvoorwaarde aanwezig is voor de basistabel van de schaduwtabel.
Instructie voor gebruiker
Als u een primaire sleutel wilt maken op een schaduwtabel, moet u in de definitie van de nieuwe primaire sleutel een set kolommen toevoegen die overeenkomt met de set kolommen van een primaire sleutel of een unieke voorwaarde van de basistabel.
sqlcode: -1742
sqlstate: 428I7
SQL1743N De opdracht RESTORE is mislukt omdat de database in het backupimage versleuteld is, terwijl de doeldatabase niet versleuteld is.
Verklaring
U kunt gegevens indatabases versleutelen met behulp van native DB2-versleuteling. U kunt bijvoorbeeld een versleutelde database maken door versleutelingsparameters op te geven voor de opdracht CREATE DATABASE.
Als er een backup van een versleutelde database wordt gemaakt, kan dit backupimage niet teruggezet worden naar een bestaande niet-versleutelde doeldatabase, tenzij de parameter NO ENCRYPT wordt opgegeven voor de opdracht RESTORE.
Dit bericht wordt weergegeven als er een poging wordt gedaan om het image van een versleutelde database terug te zetten naar een niet-versleutelde doeldatabase en de parameter NO ENCRYPT niet is opgegeven voor de opdracht RESTORE.
Instructie voor gebruiker
Als u het backupimage terug wilt zetten naar een niet-versleutelde doeldatabase, geef de opdracht RESTORE dan op in combinatie met de parameter NO ENCRYPT.
SQL1744N De opdracht RESTORE is mislukt omdat de doeldatabase al bestaat en er versleutelingsopties zijn opgegeven.
Verklaring
U kunt gegevens indatabases versleutelen met behulp van native DB2-versleuteling. U kunt bijvoorbeeld op twee manieren een versleutelde database maken:
- Opgeven van versleutelingsparameters voor de opdracht CREATE DATABASE
- Terugzetten van een backupimage naar een nieuwe, versleutelde database door het opgeven van versleutelingsparameters voor de opdracht RESTORE
Er wordt echter geen ondersteuning geboden voor het opgeven van versleutelingsparameters voor de opdracht RESTORE wanneer het image terug wordt gezet naar een bestaande database die niet is versleuteld.
Instructie voor gebruiker
Als u gegevens terug wilt zetten naar een bestaande database die niet is versleuteld, voert u een van de volgende acties uit:
- Als u een backupimage terug wilt zetten naar een bestaande, niet-versleutelde database, geeft u naast de parameter NO ENCRYPT geen enkele versleutelingsparameter voor de opdracht RESTORE op.
- Als u een backupimage van een niet-versleutelde database terug wilt zetten naar een bestaande database die niet is versleuteld, geeft u de opdracht RESTORE op zonder versleutelingsparameters.
SQL1745N De API API-naam is mislukt omdat deze heeft geprobeerd om versleutelde loggegevens te lezen.
Verklaring
U kunt gegevens in databases versleutelen met behulp van native DB2-versleuteling. Als databases geconfigureerd zijn voor deze functionaliteit, worden de bijbehorende databaselogbestanden eveneens versleuteld. U kunt de API db2ReadLogNoConn gebruiken om te werken met versleutelde logbestanden.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer er een poging wordt gedaan om te werken met versleutelde databaselogbestanden met behulp van een programma dat geen ondersteuning biedt voor versleutelde logbestanden.
Instructie voor gebruiker
Als u wilt werken met logbestanden die zijn versleuteld met de functie voor native DB2-versleuteling, gebruik dan alleen programma's die het gebruik van versleutelde logbestanden ondersteunen.
SQL1746W De database databasenaam is gemaakt. De databaseconfiguratie is echter niet automatisch afgestemd op uw systeemresources.
Verklaring
Als de sqlecrea-API wordt opgeroepen of de opdracht CREATE DATABASE wordt opgegeven, stemt Configuration Advisor de databaseconfiguratie automatisch af op uw systeemresources. (U kunt Configuration Advisor bij het maken van de database uitschakelen met behulp van de registervariabele DB2_ENABLE_AUTOCONFIG_DEFAULT.)
Dit bericht wordt weergegeven wanneer Configuration Advisor bij het maken van de database is ingeschakeld, maar er een fout wordt aangetroffen en de databaseconfiguratie voor uw systeemresources niet kan worden geoptimaliseerd.
Instructie voor gebruiker
Als u de databaseconfiguratie op uw systeemresources wilt afstemming, voert u handmatig de opdracht AUTOCONFIGURE uit.
sqlcode: +1746
sqlstate: 5U061
SQL1747N De instructie is niet verwerkt omdat er een fout is opgetreden bij het opgeven van de clausule ENVIRONMENT. Oorzaakcode: oorzaakcode. Subtekenreeks: subtekenreeks.
Verklaring
U kunt meerdere benoemde routine-omgevingsvariabelen met bijbehorende waarden opgeven in de clausule ENVIRONMENT van de instructie CREATE FUNCTION. De clausule ENVIRONMENT wordt opgegeven als een door komma's gescheiden lijst van naam-waardeparen.
Dit bericht wordt afgebeeld wanneer er een probleem is met een of meer van de namen of waarden die zijn opgegeven in de clausule ENVIRONMENT.
De oorzaakcode geeft meer specifiek de oorzaak van het probleem aan:
- 1
Er zijn meer routine-omgevingsvariabelen opgegeven dan het maximaal ondersteunde aantal omgevingsvariabelen voor een routine.
- 2
Er is een waardenreeks die langer is dan de maximaal ondersteunde lengte opgegeven in een omgevingsvariabele voor een routine.
- 3
Er is een routine-omgevingsvariabele opgegeven die langer is dan de maximaal ondersteunde lengte voor een naam.
- 4
Een routine-omgevingsvariabele is meerdere malen opgegeven.
Afhankelijk van de aard van het probleem kan het token subtekenreeks leeg zijn of een subtekenreeks bevatten die de oorzaak van het probleem aangeeft.
Instructie voor gebruiker
Geef de SQL-instructie nogmaals op, waarbij u een geldige ENVIRONMENT-clausule opgeeft.
sqlcode: -1747
sqlstate: 428I8
SQL1748N Een door de gebruiker gedefinieerde functie heeft een deadlock met een CPad aangetroffen. Functie: functie. Specifieke naam: specifieke-naam.
Verklaring
Er ontstaat een deadlock wanneer twee toepassingen gegevens vergrendelen die de andere toepassing nodig heeft, zodat geen van beide toepassingen de verwerking kan voortzetten.
U kunt een CPad gebruiken om een benoemd, uniek geheugengebied toe te wijzen als tijdelijk geheugen en workpad voor de door gebruikers gedefinieerde functies.
Dit bericht wordt weergegeven wanneer twee door de gebruiker gedefinieerde functies in een deadlocksituatie terechtkomen wanneer ze toegang proberen te krijgen tot dezelfde CPad.
Instructie voor gebruiker
Herschrijf de desbetreffende functie om dergelijke deadlocksituaties te voorkomen.
sqlcode: -1748
sqlstate: 57068
SQL1749N De instructie is mislukt omdat deze verwijst naar een type typenaam dat is gegenereerd voor een array- of rijkolomdefinitie.
Verklaring
Door het type ROW of het type ARRAY te gebruiken als gegevenstype voor kolommen in een CREATE HADOOP TABLE-instructie, wordt er een door de gebruiker gedefinieerd gegevenstype gegenereerd met behulp van een door het systeem gegenereerde naam.
Er kan in andere instructies of expressies niet worden verwezen naar de gegevenstypen die voor dit doel worden gegenereerd, met uitzondering van de instructie COMMENT.
Instructie voor gebruiker
Vervang of verwijder de verwijzing naar het gegenereerde gegevenstype en geef de instructie opnieuw op.
sqlcode: -1749
sqlstate: 429CC