Verklarende woordenlijst voor Power Systems

Deze verklarende woordenlijst bevat termen en definities voor de IBM® Power Systems-servers.

In deze verklarende woordenlijst worden de volgende verwijzingen gebruikt:
  • Zie verwijst u van een term die niet de voorkeur heeft naar de voorkeursterm of van een afkorting naar de volledige term.
  • Zie ook verwijst naar een verwante of tegengestelde term.

Speciale tekens

.tar-bestand
Een gecomprimeerd bestand dat een compressiemethode gebruikt om het gehele bestand te comprimeren in plaats van het op te delen; wordt vaak gebruikt voor het distribueren van open source-code.

Numeriek

5250-beeldscherm
Een beeldscherm dat gebruikmaakt van de 5250-gegevensstroom.
5250-emulatie
Een van de vele gelicentieerde programma's waarbij een PC kan worden gebruikt als een 5250 Beeldstation of Printer en waarmee de functies van een IBM i-besturingssysteem.

A

ac
Zie wisselstroom.
AC
Zie wisselstroom.
toegang
De mogelijkheid om een resource te lezen, bij te werken of anderszins te gebruiken. Toegang tot beveiligde resources wordt meestal bestuurd door systeemprogrammatuur.
actief
Betrekking hebbend op een resource die op dit moment in werking is.
adapter
Een mechanisme voor het aan elkaar koppelen van twee ongelijksoortige onderdelen of machines, of voor het elektrisch of fysiek verbinden van een apparaat aan een computer of ander apparaat.
Advanced Management Module (AMM)
Een hardware-eenheid die functies voor systeembeheer levert voor alle bladeservers in een BladeCenter-chassis.
APPN (Advanced Peer-to-Peer Networking)
Een uitbreiding op SNA met functies als gedistribueerde netwerkbesturing, dynamische definitie van netwerkresources, geautomatiseerde registratie van resources en automatisch zoeken in directory's. Deze netwerkarchitectuur ondersteunt doorsturen van gegevens in een netwerk tussen twee of meer APPC-systemen (Advanced Peer-to-Peer Communication) die niet rechtstreeks verbonden hoeven te zijn.
Advanced Program-to-Program Communication (APPC)
Een implementatie van het SNA LU 6.2-protocol waarmee verbonden systemen kunnen communiceren en programma's gemeenschappelijk kunnen verwerken.
Advanced System Management Interface (ASMI)
Een grafische interface die deel uitmaakt van de serviceprocessor-firmware. De ASMI beheert de serviceprocessor en communiceert ermee. De ASMI is nodig om de serviceprocessor in te stellen en om servicetaken uit te voeren, zoals het lezen van de foutlogboeken van de serviceprocessor, het lezen van belangrijke productgegevens en het beheren van de stroomvoorziening.
AIX
Een UNIX-besturingssysteem dat door IBM is ontwikkeld en geoptimaliseerd om te werken op hardware met een POWER-microprocessor, zoals servers, werkstations en blades.
alfanumeriek
Heeft betrekking op een tekenset die letters, cijfers en meestal andere tekens bevat, zoals interpunctie.
alternatief installatieapparaat
Een bandstation dat wordt gebruikt om gelicentieerde interne code (LIC) te laden op het schijfstation van de laadbron tijdens een herstel- of installeerbewerking. Het alternatieve installatieapparaat kan zich op een andere buseenheid of op een andere invoer-/uitvoerprocessor bevinden dan het schijfstation van de laadbron.
alternatieve installatie-IPL
Een speciaal type installatie-IPL (een D-mode IPL) waarbij het systeem het installatieapparaat gebruikt om een IPL uit te voeren. Het systeem kopieert dan de gelicentieerde interne code (LIC) van het alternatieve installatieapparaat naar het schijfstation van de laadbron.
alternatieve IPL
Proces voor het laden van code in het hoofdgeheugen vanuit een input/output-apparaat in plaats van vanuit het bronschijfstation voor het systeem, en voor het voorbereiden van systeembewerkingen. Een alternatieve IPL is een type D IPL.
wisselstroom
Elektrische stroom die met een vast interval van richting verandert.
alternatieve sector
Een sector op een schijf die is gereserveerd door het systeem en vervolgens beschikbaar wordt gemaakt als een sector beschadigd raakt.
ANSI (American National Standards Institute)
Een nonprofit-organisatie waarvan bedrijven, overheidsinstellingen in de V.S., professionele, technische en commerciële instellingen en organisaties van werknemers en consumenten lid zijn. ANSI coördineert de ontwikkeling van vrijwillige standaards in de V.S.
ASCII (American Standard Code for Information Interchange)
Een standaardcode voor informatieuitwisseling tussen gegevensverwerkingssystemen, datacommunicatiesystemen en bijbehorende apparatuur. ASCII maakt gebruik van een gecodeerde tekenset die bestaat uit 7-bits gecodeerde tekens.
AMM
Zie advanced management module.
analoog
Heeft betrekking op gegevens die bestaan uit continu variabele fysieke hoeveelheden. Zie ook digitaal.
ANSI
Zie American National Standards Institute.
APAR
Zie authorized program analysis report.
API
Zie application programming interface.
APPC
Zie APPC (Advanced Program-to-Program Communications).
appliance
Een hardwareapparaat met geïntegreerde software dat vast is toegewezen aan een specifieke taak of een set bedrijfsvereisten.
application programming interface (API)
Een interface waarmee een toepassingsprogramma dat is geschreven in een hogere programmeertaal specifieke gegevens of functies van het besturingssysteem of een ander programma kan gebruiken.
APPN
Zie Advanced Peer-to-Peer Networking.
ASCII
Zie ASCII (American Standard Code for Information Interchange).
ASMI
Zie Advanced Computer System Interface.
ASP
Zie hulpgeheugenpool.
attachment
Een apparaat of voorziening aangesloten op een verwerkingseenheid, met de vereiste adapters.
werkstand Bewaakt
Een Operations Console-modus waarbij het vereist is dat de operator van de lokale console elke niet-lokale aanvraag voor besturing van een System i-product moet goedkeuren (wanneer de lokale console de controle heeft).
bewaakte opstartprocedure (IPL)
Een type IPL waarbij de IPL stopt bij de DST (Dedicated Service Tools), waardoor de gebruiker wijzigingen in het systeem kan aanbrengen of fouten kan opsporen. Zie ook onbewaakte werkstand.
machtiging
Het recht om objecten, resources of functies te openen.
machtigen
Een gebruiker toestaan om te communiceren met of gebruik te maken van een object, resource of functie.
authorized program analysis report (APAR)
Een aanvraag om correctie van een fout in een ondersteunde release van een door IBM geleverd programma.
hulpgeheugen
Een ander adresseerbaar opslaggebied dan het hoofdgeheugen. Zie ook geheugen.
auxiliary storage pool (ASP)
  1. Een groep van schijfstations die zijn gedefinieerd voor de hulpgeheugenapparaten. Zie ook systeem-ASP, user ASP.
  2. Een of meer opslagapparaten die zijn gedefinieerd vanaf de opslagapparaten of subsystemen die het hulpgeheugen vormen. Een ASP biedt een manier voor het ordenen van gegevens om het effect van storingen in opslagapparatuur zoveel mogelijk te beperken en de hersteltijd te verkorten.

B

backplane
Een hardwareonderdeel dat (op een of meer niveaus) logische lijnen, distributielijnen met laag voltage en aardingslijnen bevat.
backup
  1. Betrekking hebbend op een systeem, apparaat, bestand, of voorziening die of dat kan worden gebruikt bij een storing of bij verlies van gegevens.
  2. Een band, diskette of opslagbestand dat opgeslagen objecten bevat.
reservekopie maken
Informatie of objecten ter bewaring opslaan op een systeem, doorgaans band of diskette.
backupconsole
Een console die, in het geval van storing, kan worden gebruikt als de systeemconsole die het besturingssysteem beheert. Zie ook systeemconsole.
Baseboard Management Controller (BMC)
Een controller die systeemplatform-events bewaakt, bijvoorbeeld ventilatorproblemen en temperatuur- of spanningsverhogingen, en deze vervolgens vastlegt in een logboek. De BMC wordt ook gebruikt voor hardwarecontrole, zoals het in- en uitschakelen van het knooppunt.
basic input/output system (BIOS)
De code die basiswerking van de hardware bestuurt, zoals interacties met diskettestations, vaste-schijfstations en het toetsenbord.
batterijeenheid
Een voedingsbron die kan worden gebruikt als de normale energievoorziening niet beschikbaar is.
BIOS
Zie basic input/output system.
BMC
Zie Baseboard Management Controller.
opstarten
Het laden van een besturingssysteem of het starten van een systeem.
British thermal unit (Btu)
Een Engelse maateenheid voor warmte-afgifte die overeenkomt met 0,293 Watt.
British thermal unit per hour (Btu/hr)
Een Engelse maateenheid voor de hoeveelheid warmte die in één uur wordt geproduceerd.
broadcaststorm
Een situatie waarbij één bericht in het netwerk is uitgezonden, dat in meerdere antwoorden resulteert. Bij elk antwoord worden meer antwoorden gegenereerd, wat tot een excessieve overdracht van uitgezonden berichten leidt. Ingeval van uitzonderlijk veel broadcast-verkeer kan al het andere netwerkverkeer worden geblokkeerd. Meestal kunnen deze situaties echter worden voorkomen door voor het netwerk in te stellen dat niet-toegestane uitgezonden berichten worden geblokkeerd.
Btu
Zie British thermal unit.
Btu/hr.
Zie British thermal unit per hour.
busniveaupartitionering
De vaste toewijzing van een volledige bus en alle bijbehorende resources (invoer-/uitvoerapparaten) aan een bepaalde logische partitie. Zie ook partitionering op hoogste niveau.

C

CA
Zie certificaatgever.
call home
Een communicatieverbinding die tot stand wordt gebracht tussen een product en een serviceprovider. Het product kan deze link gebruiken voor het plaatsen van een oproep naar een serviceprovider als er service vereist is. Als servicemedewerkers toegang tot de machine hebben, kunnen ze servicetaken uitvoeren, zoals het bekijken van fouten- en probleemlogboeken of het starten van ophaalbewerkingen van traceergegevens en dumps.
Capacity on Demand (CoD)
De mogelijkheid van een computersysteem om de prestatiecapaciteit te vergroten of te verkleinen zoals nodig om te voldoen aan fluctuaties in de vraag.
begrensde partitie
Een logische partitie in een gemeenschappelijke processorpool waarvan het processorgebruik de toegewezen verwerkingscapaciteit niet kan overschrijden.
kaart
Een elektronische printplaat die in een sleuf in een systeem wordt geplaatst om het systeem extra functies te geven.
CCIN
Zie custom card identification number.
CD
Zie compact disc.
CD-ROM
Zie compact-disc read-only memory.
CEC
Zie centraal electronisch complex.
Celsius
Dit begrip heeft betrekking op een thermometrische schaal waarbij water kookt bij een temperatuur van 100 graden en bevriest bij een temperatuur van 0 graden als sprake is van een standaardluchtdruk.
centraal electronisch complex (CEC)
Zie centraal processor complex.
central processor complex (CPC)
Een fysieke verzameling hardware die bestaat uit een hoofdgeheugen, een of meer hoofdprocessors, timers en kanalen.
certificaatgever (CA)
Een vertrouwde derde partij die digitale certificaten uitgeeft. De certificaatgever controleert normaal gesproken de identiteit van de individuen aan wie het unieke certificaat is verleend.
checkstop
Een ernstige fout in een processorkern waardoor een processor stopt met alle verwerkingsactiviteiten.
CIF
Zie customer installable feature.
CLI
Zie opdrachtregelinterface.
client
Een programma of computer die services aanvraagt van een server. Zie ook host, server.
logische clientpartitie
Een logische partitie die de I/O-resources van een andere logische partitie gebruikt, bijvoorbeeld een logische partitie die de resources van een logische partitie op een virtuele I/O-server gebruikt.
cluster
Een set van onafhankelijke systemen of logische partities (de zogenaamde knooppunten) die zijn geordend in een netwerk voor het delen van resources en communiceren met elkaar.
cluster-ready hardware server (CRHS)
Een softwarecomponent die zorgt voor communicatie met beheersubsystemen en voor methoden voor het ontdekken van componenten binnen een beheersubsysteem.
opslagsubsysteem van clusters
Een groep van clusters waar elk cluster bestaat uit een of meer logische partities met een gemeenschappelijke pool.
Cluster Systems Management (CSM)
Software voor systeembeheer die is ontworpen voor opschalen naar grote clusters.
CoD
Zie Capacity on Demand.
opdrachtregel
De blanco regel op een beeldscherm waar opdrachten, optienummers of selecties kunnen worden ingevoerd.
opdrachtregelinterface (CLI)
Een computerinterface met in- en uitvoer in de vorm van tekst.
commercial processing workload (CPW)
Een toepassing die op System i-modellen en processors wordt uitgevoerd om de processorprestaties vast te stellen. De CPW-werkbelasting is representatief voor commerciële toepassingen, vooral voor toepassingen die veel aan databaseverwerking doen samen met het bijhouden van journaals en het vastleggen van wijzigingen.
communicatie-adapter
Een apparaat voor netwerkcommunicatie.
compact disc (CD)
Een optische schijf voor opslag van digitale gegevens
compact-disc read-only memory (CD-ROM)
ROM-geheugen met een grote capaciteit in de vorm van een CD die optisch wordt gelezen.
gelijktijdig
Heeft betrekking op het gedeelde gebruik van resources door verschillende interactieve gebruikers of toepassingsprogramma's tegelijk.
gelijktijdige toevoeging
Het toevoegen van hardware aan een apparaat terwijl dit operationeel is.
gelijktijdige koude reparatie
Reparaties aan hardware die elektrische geïsoleerd is van het uitvoerend systeem. De geïsoleerde hardware heeft geen resources die door het systeem worden gebruikt op het moment dat de reparatie wordt gestart.
gelijktijdige warme reparatie
Reparaties aan hardware die elektrisch verbonden is met het systeem. De hardware die wordt gerepareerd, kan resources hebben die door het systeem worden gebruikt op het moment dat de reparatie wordt gestart.
gelijktijdig onderhoud
Service of onderhoud aan een apparaat in het systeem terwijl het systeem volledig of gedeeltelijk operationeel is.
gelijktijdige reparatie
Reparatie aan hardware in een apparaat terwijl dit operationeel is.
kabelgoot
Een buizensysteem van plastic of metaal dat gebruikt wordt voor het beschermen en doorleiden van elektrische beddrading.
configuratie
  1. De manier waarop de hardware en software van een systeem, subsysteem of netwerk zijn georganiseerd en onderling zijn verbonden.
  2. Zie topologie.
configureren
  1. Het beschrijven van de instellingen voor hulpgeheugenpools en schijfbescherming met controletotalen.
  2. Het beschrijven van de onderlinge verhoudingen tussen apparatuur, programma's, communicatiemiddelen en optionele functies die op een systeem zijn geïnstalleerd.
controller
Een apparaat dat de werking van een of meer invoer/uitvoerapparaten (zoals werkstations) coördineert en bestuurt, en de werking van dergelijke apparaten synchroniseert met de werking van het systeem als geheel.
bedieningspaneel
Een paneel met lampjes en schakelaars die worden gebruikt om de status bij te houden en om het systeem te bedienen en te onderhouden.
CPC
  1. Zie centraal processor complex.
  2. Zie Current Processor Capacity.
CPW
Zie commercial processing workload.
CRHS
Zie cluster-ready hardware server.
CRU
Zie customer-replaceable unit.
CSM
Zie Cluster Systems Management.
Current Processor Capacity (CPC)
De hoeveelheid processorcapaciteit (in eenheden van 1/100 van een fysieke processor) die is toegewezen aan een logische partitie.
cursor
  1. Een besturingsstructuur die door een toepassingsprogramma wordt gebruikt om naar een gegevensrij van een set te verwijzen en deze te selecteren.
  2. Een verplaatsbaar symbool op een beeldscherm, vaak een knipperend of constant lichtblokje, waarmee een keuze wordt aangegeven die kan worden geselecteerd. Een cursor geeft aan waar de gebruikersinteractie met het toetsenbord zal verschijnen, of geeft een belangrijk punt op het beeldscherm aan.
custom card identification number (CCIN)
Een uniek alfanumeriek nummer dat aan veel afzonderlijke hardware-onderdelen of -assemblages wordt toegewezen.
customer installable feature (CIF)
Een assemblage of onderdeel dat door een klant kan worden vervangen.
customer-replaceable unit (CRU)
Een assemblage of onderdeel dat in zijn geheel kan worden vervangen door de gebruiker als een van de componenten defect is.

D

gegevenscentrum
Een centrale opbergplaats voor gegevens en informatie met betrekking tot een bepaald kennisgebied.
gegevensmigratie
Het verplaatsen van gegevens wanneer de software wordt bijgewerkt of wanneer de gegevens naar een andere hardwareserver of een ander model worden overgebracht.
dB
Zie decibel.
DB2
Een productgroep van gelicentieerde IBM-programma's voor het beheer van relationele databases.
DD
Zie stuurprogramma.
decibel (dB)
Een eenheid van geluids- of signaalsterkte, bijvoorbeeld de sterkte van het signaal op een datacommunicatiekanaal.
dedicated service tools (DST)
Servicefuncties die alleen beschikbaar zijn vanaf de console en die kunnen worden uitgevoerd wanneer het besturingssysteem niet toegankelijk is en wanneer het besturingssysteem wel toegankelijk is.
defragmentatie
Het uitvoeren van een hulpprogramma voor het herindelen van gefragmenteerde gegevens in aaneengesloten sectoren van een opslagmedium zodat gegevens sneller kunnen worden gevonden en opgehaald.
apparaat
Een hardwareapparaat, bijvoorbeeld een werkstation, printer, schijfstation, bandeenheid of systeem op afstand.
apparatuurconfiguratie
De fysieke plaatsing van beeldstations, printers, enzovoort, plus de configuratieomschrijvingen die de fysieke configuratie beschrijven voor het systeem en aangeven hoe de configuratie door het systeem zal worden gebruikt.
device driver (DD)
Een programma dat fungeert als een interface tussen een bepaald fysiek of virtueel apparaat en het toepassingsprogramma dat van dit apparaat gebruikmaakt.
DHCP
Zie Dynamic Host Configuration Protocol.
digitaal
Deze term heeft betrekking op gegevens in de vorm van cijfers. Zie ook analoog.
digital versatile disc (DVD)
Een optische schijf met dezelfde afmetingen als een CD-ROM-schijf, maar met een veel grotere capaciteit dan een CD-ROM-schijf. DVD's zijn bovendien dubbelzijdig, terwijl CD-ROM's enkelzijdig zijn.
digital video disc
Zie digital versatile disc.
DIMM
Zie dual inline memory module.
schijfstation
Het mechanisme dat wordt gebruikt voor het lezen en schrijven van informatie op een schijf.
diskette
Een dun en flexibel magnetisch schijfje dat zich in een beschermend omhulsel bevindt. Het kan worden gebruikt voor het opslaan van informatie afkomstig van de harde schijf of van een andere diskette.
rek van schijfstation
Een fysieke behuizing die een of meer schijfstations bevat.
beeldstation
Een apparaat, meestal voorzien van een toetsenbord en een beeldscherm, waarmee informatie via een communicatielijn kan worden ontvangen en verzonden.Zie ook werkstation.
D-link
De optische verbindingen tussen supernodes die een HPC-cluster vormen.
DLPAR
Zie dynamische LPAR.
domeinnaam
De naam die in internetcommunicatie aan een host wordt gegeven. Een domeinnaam bestaat uit een reeks subnamen die van elkaar worden gescheiden door een scheidingsteken, bijvoorbeeld www.ibm.com.
DST
Zie dedicated service tools.
dual inline memory module (DIMM)
Een kleine printplaat met geïntegreerde geheugencircuits en signaal- en voedingspennetjes aan beide zijden van de plaat. Zie ook single inline memory module.
DVD
Zie digital versatile disc.
Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP)
Een communicatieprotocol dat wordt gebruikt voor het centraal beheren van configuratiegegevens. DHCP wijst bijvoorbeeld automatisch IP-adressen toe aan computers in een netwerk.
dynamisch IP-adres
Een tijdelijk IP-adres voor een tijdelijk apparaat of tijdelijke logisch eenheid op een netwerk: bijvoorbeeld een personal computer. Zie ook IP-adres.
dynamische LPAR (DLPAR)
De mogelijkheid om processors, geheugen en interactieve prestaties van de ene logische partitie naar de andere te verplaatsen zonder een logische partitie of de server opnieuw te hoeven opstarten.Zie ook logische partitie, beheerd systeem.

E

ECS
Zie electronic customer support.
EIA
Zie Electronic Industries Alliance.
EIA-eenheid
Een maateenheid gehanteerd door de Electronic Industries Association die overeenkomt met 44,45 millimeter (1,75 inch).
electronic customer support (ECS)
Dit is een onderdeel van het besturingssysteem waarmee een klant toegang heeft tot de vraag-en-antwoordfunctie (Q & A); probleemanalyses, foutmeldingen en beheer; IBM-productgegevens en Technical Information Exchange.
Electronic Industries Alliance (EIA)
Een organisatie van elektronicafabrikanten die de technologische groei stimuleert, de standpunten van haar leden verdedigt en industriële standaards ontwikkelt.
Electronic Service Agent (ESA)
Een functie die zorgt voor automatische rapportage van hardwareproblemen - dit helpt bij het voorspellen en voorkomen van hardwarefouten omdat potentiële problemen in een vroeg stadium worden gedetecteerd. Met deze functie kunnen gebruikers ook fixes downloaden en problemen automatisch naar IBM versturen als dit toepasselijk is.
elektrostatische ontlading (ESD of Electrostatic Discharge)
De elektrische stroom die ontstaat wanneer objecten die statisch geladen zijn zo dicht in de buurt van een ander object komen dat er ontlading plaatsvindt.
emulatie
Het gebruik van software, hardware of beide op het ene systeem om een ander systeem te imiteren. Op het imiterende systeem worden dezelfde gegevens geaccepteerd, dezelfde programma's uitgevoerd en dezelfde resultaten behaald als op het geïmiteerde systeem.
enclosure services manager (ESM)
De hoofd-CU (Control Unit) binnen een uitbreidingsmodule voor een cache. Dit is een redundant en hot-swappable SAS-communicatie-onderdeel dat in zijn geheel wordt vervangen en dat SAS-uitbreiding en SES-functies levert.
uitgebreide 5250-emulatie
Een programma dat het mogelijk maakt een PC en een printer aan te sluiten op een System i-product en de functies van een of twee 5250-werkstations uit te voeren op één twinaxkabel. De werkstations kunnen bestaan uit één beeldstation, twee beeldstations, of één beeldstation en één printer.
in aanmerking komend geheugen
De maximumhoeveelheid fysiek geheugen die zeker beschikbaar is voor I/O-toewijzing door een logische partitie op een bepaald moment
ephemeral poort
Een tijdelijke poort die door de IP-stack van een server is toegewezen uit een aangewezen bereik van poorten.
ESA
Zie Electronic Service Agent.
ESD
Zie elektrostatische ontlading.
ESM
Zie enclosure services manager.
Ethernet
Een netwerktechnologie voor LAN's (Local Area Networks) dat meervoudige toegang ondersteunt en dat conflicten oplost door gebruik te maken van de CSMA-CD-toegangsmethode (Carrier Sense Multiple Access with Collision Detection). Ethernet is gestandaardiseerd inde IEEE 802.3-specificatie.Zie ook local area network.
uitbreidingseenheid
Een type machine of eenheid met de mogelijkheid verbonden te worden met een systeemeenheid om extra geheugenruimte en verwerkingscapaciteit te genereren. Een dergelijke eenheid kan zijn uitgerust met I/O-hardware, zoals kaarten, banden en schijfstations.

F

fabric
Een complex netwerk van hubs, switches, adaptereindpunten en verbindingskabels die een communicatieprotocol tussen apparaten ondersteunen. Glasvezel maakt bijvoorbeeld gebruik van een fabric voor het verbinden van apparatuur.
fabricmanager
Software die componenten van het communicatienetwerk initialiseert en bewaakt.
faxapparaat FAX)
Een functionele eenheid waarmee beelden worden omgezet in signalen voor verzending via een telefoonsysteem of waarmee binnenkomende signalen worden omgezet in beelden.
failover
Een automatische bewerking waarbij er bij storing in hardware, software of netwerk wordt overgeschakeld op een redundant systeem of knooppunt of een systeem/knooppunt dat standby staat.
Fast Ethernet
Een Ethernet-standaard die een transmissiesnelheid van 100 Mbps levert.
fax/faxen
  1. Het afgedrukt exemplaar dat via een faxapparaat wordt ontvangen.
  2. Een afbeelding versturen met behulp van een telefoonsysteem en een faxapparaat.
faxmachine
Zie faxapparaat.
FC
  1. Zie featurecode.
  2. Zie Glasvezel.
voorziening
Een onderdeel van een product dat standaard bij het product wordt geleverd of afzonderlijk kan worden aangeschaft.
featurecode (FC)
Een code die IBM gebruikt om orders voor hardware en software te verwerken.
glasvezel
Een overdrachtmedium dat bestaat uit een lichtbaan door een glasvezel met omhullend materiaal dat het signaal opgesloten houdt in de lichtbaan.
glasvezelkabel
Een vezel of vezelbundel in een structuur die is opgebouwd aan de hand van optische en mechanische specificaties en specificaties in relatie tot de omgeving.
Glasvezel (FC)
Een technologie voor het verzenden van gegevens tussen computerapparaten. Is in het bijzonder geschikt voor het aansluiten van computerservers op gemeenschappelijke opslagapparaten en voor het verbinden van opslagcontrollers met stations.
FRU-onderdeel
Een assemblage die in zijn geheel wordt vervangen als een van de componenten defect is.
bestand
Een verzameling bij elkaar behorende gegevens die kan worden opgeslagen en opgehaald aan de hand van de naam die eraan is toegewezen.
firewall
Een netwerkconfiguratie, die meestal uit zowel hardware als software bestaat, waarmee onbevoegd verkeer een beveiligd netwerk niet kan binnenkomen of verlaten.
flashgeheugen
Een computeropslagmedium dat de gegevens ook bewaart als de stroom wordt uitgeschakeld en dat elektronisch kan worden gewist en opnieuw worden geprogrammeerd zonder te worden verwijderd van de printplaat.
flexibele serviceprocessor (FSP)
Firmware die zorgt voor diagnose, initialisatie, configuratie, detectie van runtimefouten en correctie. De flexibele serviceprocessor verbindt het beheerde systeem met de HMC (Hardware Management Console).
footprint
De hoeveelheid computergeheugen die door een computerprogramma wordt bezet. Als een programma bijvoorbeeld een groot deel van het geheugen bezet, heeft het een grote footprint.
framebuffer
Een hoeveelheid video-RAM (VRAM) die wordt gebruikt om de beelden op de monitor op te slaan. De framebuffer is het elektronische canvas waarop elk tekeningelement wordt weergegeven.
vrije ruimte
De totale hoeveelheid ongebruikte ruimte van een pagina, gegevensset, bestand opslagmedium of bestandssysteem. Vrije ruimte is de ruimte die niet wordt gebruikt voor het opslaan van records, stuurinformatie of bestanden.
FRU
Zie field-replaceable unit.
FSP
Zie flexible service processor.
volledige paging
De laatste fase van een IPL-proces, waarbij alle functies toegang hebben tot alle gegevens op alle schijfeenheden in de ASP. Zie ook beperkte paging, prestatiepaging, statische paging.

G

general-purpose processor core
Een gelicentieerde processorcore die geen Power IFL-processorcore is. De partities van AIX, IBM i, VIOS en Linux kunnen worden uitgevoerd op een general-purpose processor core.
genucode
Een programma voor het downloaden van microcode naar een specifieke adapter of een specifiek apparaat. Dit programma is voorzien van een bijgewerkte versie van microcode.
graphical user interface (GUI)
Een interface waarbij gebruik wordt gemaakt van een combinatie van grafische voorstellingen (hoge resolutie), een aanwijsapparaat, menubalk en andere menu's, gedeeltelijk overlappende vensters, pictogrammen en de relatie tussen objecten en acties.
graphics processor unit (GPU)
Een gespecialiseerde processor die is ontworpen om snel geheugen te manipuleren en te wijzigen. Het doel ervan is het maken van beelden in een framebuffer voor uitvoer naar een beeldscherm te versnellen.
GUI
Zie grafische gebruikersinterface.
GX-adapter
Een I/O-hub die I/O-adapters verbindt met de processor en het geheugen in het systeem.

H

HA
Zie high availability.
vaste schijf
Een niet-verwisselbaar opslagmedium dat wordt gebruikt om gegevens op een PC op te slaan.
hard disk drive (HDD)
Een stand-alone schijfstation dat gegevens leest van en schrijft op onbuigzame schijven en dat op een poort op de systeemeenheid kan worden aangesloten.
Hardware Management Console (HMC)
Een systeem dat beheerde systemen bestuurt, inclusief het beheer van logische partities en het gebruik van Capacity Upgrade on Demand. De HMC communiceert met behulp van servicetoepassingen met beheerde systemen om informatie te vinden en te bundelen, welke vervolgens kan worden verzonden voor analysedoeleinden. Zie ook beheerd systeem.
hardware service manager (HSM)
Een hulpprogramma voor het afbeelden van en werken met systeemhardware vanuit zowel een logisch perspectief als een pakketperspectief, voor foutopsporing bij invoer-/uitvoerprocessors en -apparatuur en voor het oplossen van defecte en ontbrekende hardware.
HBA
Zie hostbusadapter.
HCA
Zie host channel adapter.
Vaste schijf
Zie vasteschijfstation.
hdisk
In AIX een LUN (logical unit number) op een array.
HEA
Zie HEA (Host Ethernet Adapter).
Hex
Zie hexadecimaal.
hex, HEX
Zie hexadecimaal.
hexadecimaal (hex, hex, HEX)
Heeft betrekking op een talstelsel met 16 als grondtal.
high availability (HA)
  1. Betrekking hebbend op een geclusterd systeem dat opnieuw wordt geconfigureerd als er fouten in een knooppunt of daemon optreden - opdat workloads opnieuw kunnen worden verdeeld naar de resterende knooppunten in het cluster.
  2. Het vermogen van IT-services om alle storingen te kunnen doorstaan en verwerkingscapaciteit te blijven leveren volgens een bepaald vooraf gedefinieerd serviceniveau. Gedekte uitval betreft zowel geplande events, zoals onderhoud en backups, als ongeplande events, zoals softwarefouten, storing in hardware, stroomuitval en calamiteiten.
high-performance computing (HPC)
Een technologie waarbij massieve berekeningksracht vereist is, bijvoorbeeld wanneer met supercomputers of computerclusters, voor het oplossen van complexe problemen.
high-speed link (HSL)
Een architectuur voor hardwareconnectiviteit waarbij systeemprocessors worden gekoppeld aan invoer-/uitvoersysteembussen en andere systemen. Zie ook remote input/output.
HSL-lus
De verbinding tussen het systeem en de uitbreidingseenheid die vereist is voor de implementatie van verwisselbare onafhankelijke schijvenpools die deel uitmaken van een uitbreidingseenheid. De servers en uitbreidingseenheden in een cluster die gebruikmaken van bestendige apparatuur in een externe uitbreidingseenheid moeten door middel van HSL-kabels verbonden zijn met een HSL-ringleiding.
HMC
Zie Hardware Management Console.
HMC 5250-console
Een emulatiesessie voor het besturingssysteem van een logische partitie.
host
  1. Het besturingssysteem of het systeem op het hoogste niveau in een datacommunicatieconfiguratie.
  2. Een computer die met een netwerk is verbonden en een toegangspunt tot dat netwerk heeft. De host kan een client, een server, of beide tegelijk zijn. Zie ook client, server.
hostbusadapter (HBA)
Een interfacekaart waarmee een hostbus, bijvoorbeeld een PCI (peripheral component interconnect)-bus, kan worden aangesloten op een SAN (storage area network).
host channel adapter (HCA)
Een poortverbinding die is gebaseerd op InfiniBand-technologie op een systeem en die zorgt voor interconnectie in een netwerkinfrastructuur.
HEA (Host Ethernet Adapter)
Een fysieke Ethernet-adapter die rechtstreeks is geïntegreerd in de GX+-bus op een beheerd systeem. HEA's bieden een hoge doorvoercapaciteit, korte wachttijden en virtualisatieondersteuning voor Ethernet-verbindingen.
hostnaam
De naam die in internetcommunicatie aan een computer wordt gegeven. De hostnaam kan een volledige domeinnaam zijn, zoals mijncomputer.stad.bedrijf.com, of een specifieke subnaam, zoals mijncomputer. Zie ook IP-adres.
hoststack
De verzameling software die van stuurprogramma tot middleware actief is en die zorgt voor de protocollen van de communicatieinfrastructuur die worden gebruikt door toepassingen.
hot-spare
Heeft betrekking op redundante hardware (bijvoorbeeld een adapter, een schijf, een station of een server) die geïnstalleerd en beschikbaar is als er een defect in de hardware optreedt.
direct verwisselen (hot swap)
Betrekking hebbend op een apparaat dat kan worden vervangen terwijl het systeem aan staat.
hot swap
Een hardwareonderdeel vervangen zonder het systeem uit te schakelen.
HPC
Zie high-performance computing.
HSL
Zie high-speed link.
HSM
Zie hardware service manager.
hub
Een punt of een apparaat dat meerdere apparaten in een netwerk verbindt.
hypervisor
Software of een fysiek apparaat waarmee meerdere instances van besturingssystemen gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd op dezelfde hardware.

I

i5/OS
Het gelicentieerde IBM-programma dat wordt gebruikt als besturingssysteem voor System i-servers. De voorganger van i5/OS was Operating System/400 (OS/400). Zie ook IBM i, Operating System/400, System i.
IBF
Zie integrated battery feature.
IBM i
Het gelicentieerde IBM-programma dat het geïntegreerde besturingssysteem is voor Power Systems-servers. Dit integreert functies op het gebied van relationele database, beveiliging, webservices, netwerk en opslagbeheer. De voorganger van IBM i was i5/OS, dat weer werd voorafgegaan door Operating System/400 (OS/400). Zie ook i5/OS, Operating System/400, System i.
ICMP
Zie Internet Control Message Protocol.
pictogram
Een grafische voorstelling van een object (bijvoorbeeld een bestand of programma), dat bestaat uit een afbeelding, achtergrond en label.
initial program load (IPL)
Het proces waarbij de systeemprogramma's uit het systeemhulpgeheugen worden geladen, de systeemhardware wordt gecontroleerd en het systeem gereed wordt gemaakt voor bewerkingen door gebruikers.
invoer/uitvoer-adapter (I/O-adapter, IOA)
Een functionele eenheid of een onderdeel van een I/O-controller dat apparaten met een I/O-processor verbindt.
invoer-/uitvoergegevens
Gegevens voor de computer of gegevens die het gevolg zijn van computerverwerkingen.
invoer-/uitvoerprocessor (IOP, I/O-processor)
Een processor die vast is toegewezen aan de besturing van kanalen of communicatieverbindingen.
integrated battery feature (IBF)
Backuphardware voor batterijen die beschermt tegen stroomstoringen zoals kortstondige stroomuitval of tijdelijke daling van het voltage.
Integrated Virtual Ethernet-adapter (IVE-adapter)
Zie HEA (Host Ethernet Adapter).
Integrated Virtualization Manager (IVM)
Een browserinterface voor het beheren van een System p- of bladeserver. Met de IVM kunt u logische partities maken, virtuele resources beheren en service-informatie met betrekking tot de server bekijken.
Integrated xSeries Adapter (IXA)
Een PCI-uitbreidingskaart die geïnstalleerd kan worden in bepaalde System x-modellen en die een koppeling met hoge snelheid mogelijk maakt naar een System i-product.
Intelligent Platform Management Interface (IPMI)
Een standaard voor de besturing van intelligente apparaten die een systeem bewaken. De interface werkt met dynamische opsporing van sensors in het systeem en geeft de mogelijkheid de sensors te bewaken en informatie te ontvangen wanneer de waarden wijzigen of buiten bepaalde grenzen vallen.
Internet
Een wereldwijde verzameling onderling verbonden netwerken die de verzameling internetprotocollen gebruiken en voor iedereen toegankelijk is.
Internet Control Message Protocol (ICMP)
Een internetprotocol dat wordt gebruikt door een gateway om te communiceren met een bronhost, bijvoorbeeld om een fout in een datagram te melden.
Internet Protocol (IP)
Een protocol waarmee gegevens door een netwerk of onderling verbonden netwerken worden gestuurd. Dit protocol treedt op als bemiddelaar tussen de hogere protocollagen en het fysieke netwerk. Zie ook Transmission Control Protocol.
interrupt
  1. Een signaal dat door een I/O-apparaat naar de processor wordt verzonden als er een fout is opgetreden of als er hulp nodig is om de I/O te voltooien. Een interrupt onderbreekt meestal de uitvoering van een programma dat op dat moment wordt uitgevoerd.
  2. Een ID dat wordt gebruikt voor het verzenden van een signaal naar de processor dat aangeeft dat de geïnstalleerde hardware aandacht vereist.
intranet
Een intern netwerk van een organisatie dat het IP-protocol gebruikt.
intrarek
Betrekking hebbend op interfaces of links binnen een rek met servers of switches.
IOA
Zie invoer-/uitvoeradapter.
I/O-adapter
Zie invoer-/uitvoeradapter.
I/O-hub
Een apparaat dat de interface vormt tussen de processors en het geheugen in het CEC (central electronic complex) en de I/O-modules die ermee verbonden zijn.
IOP
Zie invoer-/uitvoerprocessor.
IOP-niveaupartitionering
Een vaste toewijzing van de invoer-/uitvoerprocessor (IOP) en alle bijbehorende resources (invoer-/uitvoerapparaten) naar een bepaalde logische partitie. IOP's op een enkele bus kunnen vast aan verschillende logische partities zijn toegewezen. De busresources die deze IOP's bevatten moeten gemeenschappelijk worden gebruikt. Zie ook partitionering op busniveau.
I/O-processor
Zie invoer-/uitvoerprocessor.
I/O-server
Software die invoer-/uitvoerservices levert aan andere logische partities in hetzelfde systeem.
IP
Zie Internet Protocol.
IP-adres
Een uniek adres voor een apparaat of een logische eenheid in een netwerk die gebruik maakt van de Internet Protocol-standaard. Zie ook dynamisch IP-adres, hostnaam, statisch IP-adres.
IPL
Zie initial program load.
IPMI
Zie Intelligent Platform Management Interface.
isolatieprocedure
Geschreven informatie die door servicepersoneel wordt gebruikt voor het repareren van IBM-apparatuur. Een isolatieprocedure bestaat uit ja/nee-vragen en procedures die de gebruiker naar het deel van de apparatuur dirigeert dat de oorzaak van de storing is.
IVE-adapter
Zie Integrated Virtual Ethernet-adapter.
IVM
Zie Integrated Virtualization Manager.
IXA
Zie Integrated xSeries Adapter.

J

jumper
Een klein stukje met plastic bedekt metaal dat wordt gebruikt om twee contactpunten met elkaar te verbinden en een circuit te sluiten.

K

kernel
Een functionele eenheid van een sessielaag in OSI die de basisservices levert die zijn vereist voor het tot stand brengen van verbindingen, het overbrengen van normale gegevens en het vrijgeven van verbindingen.
op kernel gebaseerde virtuele machine (KVM)
Een open source virtualisatieprogramma voor Linux dat is gebaseerd op virtualisatie-uitbreidingen voor hardware (Intel VT-X en AMD-V) en een gewijzigde versie van QEMU.
sleutel
Een cryptografische wiskundige waarde die wordt gebruikt om een bericht digitaal te ondertekenen, controleren, versleutelen of te decoderen. Zie ook persoonlijke sleutel,openbare sleutel.
sleutelringbestand
Een bij computerbeveiliging gebruikt bestand dat openbare sleutels, persoonlijke sleutels, betrouwbare bronnen en certificaten bevat.
sleutelringbestand
Een binair bestand dat wordt beveiligd met een wachtwoord en waarin een of meer certificaten op de vaste schijven van de server zijn opgeslagen. Er zijn twee soorten sleutelringbestand: server en CA.
sleutelruimte
In beveiliging is dit een bestand of een kaart voor hardwarecryptografie waarbij identiteiten en persoonlijke sleutels worden opgeslagen voor verificatie en voor versleuteling. Bepaalde sleutelruimtes bevatten ook betrouwbare openbare sleutels.
sleutelruimtebestand
Een sleutelringbestand met zowel openbare sleutels die zijn opgeslagen als certificaat van certificaatgever en persoonlijke sleutels die zijn opgeslagen in persoonlijk certificaten.
sleutelbestand
Een bestand op het hostsysteem van de service dat items bevat die ieder een principalnaam van de service en een versleuteld geheim bevatten.
kilovoltampère (kVA)
Eenheid van elektrische stroomsterkte.
kVA
Zie kilovolt-ampère.
KVM
Zie op kernel gebaseerde virtuele machine.

L

LAN
Zie local area network.
LDAP
Zie Lightweight Directory Access Protocol.
eindpunt
Een schakelonderdeel dat in zijn geheel wordt vervangen (FRU-onderdeel) en wordt gestoken in een schakelchassis. Het bevat aansluitingen voor adapters en andere schakelaars. Binnen het schakelchassis maakt een eindpunt verbinding met spine-modules, die door middel van een middenplaat dezelfde connectiviteit leveren aan andere eindpunt-FRU's in hetzelfde schakelchassis.
eindpuntkaart
Een kaart binnen een switchchassis die zorgt voor externe connectiviteit met behulp van kabelaansluitingen, en die interne communicatie verzorgt naar spines als pad naar andere eindpuntkaarten.
leaf-module
Een eindpuntkaart in een schakelchassis dat een bepaald aantal InfiniBand-poortverbindingen omvat en de mogelijkheid heeft om met andere eindpuntmodules te communiceren via verbindingen met spines.
switchchip van eindpunt
Een chip die communicatiepaden en switching verzorgt tussen de paden en een eindpuntkaart van gegevens voorziet.
LED
Zie light-emitting diode.
LIC
Zie Licensed Internal Code.
licentie
Een wettelijke overeenkomst die een machtiging geeft voor gebruik van gegevens die in eigendom zijn bij derden, met inbegrip van, maar niet beperkt tot copyrights of patenten.
Licensed Internal Code (LIC)
De gelaagde architectuur onder de machine-interface (MI). De gelicentieerde interne code (LIC) is een specifiek systeemontwerp dat een groot aantal functies uitvoert. Het gaat daarbij onder meer om opslagbeheer, pointers en adressering, programmabeheer, beheer van uitzonderingen en events, gegevensfuncties, I/O-beheer en beveiliging.
LIC-fix (Licensed Internal Code)
Een tijdelijke oplossing voor, of een manier voor het omzeilen van, een fout in een actuele release van de Gelicentieerde Interne Code (LIC).
gelicentieerd programma (LP)
Een afzonderlijk geprijsd programma en het bijbehorende materiaal die zijn voorzien van een copyright en aan klanten worden aangeboden op basis van de bepalingen en voorwaarden van een licentieovereenkomst.
light-emitting diode (LED)
Een halfgeleiderchip die zichtbaar of infrarood licht geeft als deze wordt geactiveerd.
Lightweight Directory Access Protocol (LDAP)
Een open protocol dat gebruik maakt van TCP/IP voor het verzorgen van toegang tot directory's die een X.500-model ondersteunen; het vereist niet de hoeveelheid resources die nodig is voor het complexere X.500 Directory Access Protocol (DAP). LDAP kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor het zoeken naar personen, organisaties en andere resources in een directory op internet of intranet.
beperkte paging
Een fase in het IPL-proces die plaatsvindt voor volledige paging en waarbij alleen de gegevens op de schijfeenheid met bronbestanden kunnen worden geopend door de normale LIC-functies (Licensed Internal Code). Zie ook volledige paging, prestatiepaging, statische paging.
lijnbeschrijving
Een lijnbeschrijving is een object dat informatie bevat over een bepaalde communicatielijn die op het systeem is aangesloten. Het door het systeem herkende ID voor het objecttype is *LIND.
linkaggregatie
Het groeperen van elementen van fysieke netwerkinterfacekaarten, zoals kabels en poorten, in een enkele logisch netwerkinterface. Linkaggregatie wordt gebruikt voor het verhogen van de bandbreedte en de beschikbaarheid van het netwerk.
Live Partition Mobility (LPM)
Een component van de hardwarefeature PowerVM Enterprise Edition waarmee logische partities van AIX, IBM i en Linux van het ene systeem naar het andere kunnen worden verplaatst. Het mobiliteitsproces draagt de systeemomgeving, over, waarin inbegrepen de processorstatus, het geheugen, aangesloten virtuele apparaten en verbonden gebruikers.
L-link
De verbindingen tussen de chips van de hubswitch die zich binnen een supernode bevinden.
laadbron-schijfstation
Het schijfstation dat de gelicentieerde interne code (LIC) voor het systeem bevat. Dit station wordt in de schijfconfiguratieschermen altijd aangegeven met apparaatnummer 1.
local area network (LAN)
Een netwerk dat diverse apparaten binnen een beperkt gebied (bijvoorbeeld één gebouw of faculteit) onderling verbindt en dat op een groter netwerk kan worden aangesloten.Zie ook Ethernet.
logische geheugen
De adresseerbare ruimte toegewezen aan een logische partitie die het besturingssysteem ziet als hoofdgeheugen. Bij een partitie in gemeenschappelijk geheugen wordt in het fysieke hoofdgeheugen een backup gemaakt van een subset van het logische geheugen; de inhoud van het restant van het logische geheugen wordt bijgehouden in secundaire opslagruimte.
logische partitie (LP, LPAR)
Een of meer gevirtualiseerde images van een computersysteem waarin gemeenschappelijke en vast toegewezen resources kunnen zijn opgenomen van de pool van resources die beschikbaar is op een fysieke server. Elk image lijkt voor het besturingssysteem dat erbinnen actief is een unieke instance te zijn van een fysieke server. Zie ook dynamische LPAR, virtuele server.
ingebouwde programmatuur voor logische partities
De code die wordt geladen in een logische partitie van AIX of Linux vanuit de ingebouwde programmatuur op een server.
logische partitionering
Een functie van een besturingssysteem die segmenten van resources maakt die kunnen worden uitgevoerd op exemplaren, of instances van het besturingssysteem en bijbehorende toepassingen.
logical unit number (LUN)
Een unieke ID in de SCSI-standaard (Small Computer System Interface) waarmee onderscheid wordt gemaakt verschillende logical units (LU's).
LP
  1. Zie licensed program.
  2. Zie logische partitie .
LPAR
Zie logische partitie .
LPM
Zie Live Partition Mobility.
LUN
Zie logical unit number.

M

MAC
Zie Media Access Control.
hoofdgeheugen
Zie geheugen.
hoofdgeheugendump (MSD)
Een proces waarmee gegevens uit het hoofdgeheugen van het systeem worden verzameld. Dit kan automatisch door de serviceprocessor worden gedaan naar aanleiding van een systeemstoring of handmatig door de operator worden gedaan als er tekenen van een systeemstoring zijn.
maintenance analysis procedure (MAP)
Bij hardwareonderhoud is dit een stapsgewijze procedure die een IBM-servicemedewerker helpt bij het traceren van een symptoom naar de oorzaak van het defect.
beheerd systeem
Een systeem dat wordt bestuurd door een bepaalde systeembeheertoepassing. Zie ook dynamische LPAR, Hardware Management Console.
management server (MS)
Een server waarop de software voor systeembeheer wordt uitgevoerd.
handmatige IPL
Zie bewaakte opstartprocedure (IPL).
MAP
Zie maintenance analysis procedure.
MB
Zie megabyte.
MCM
Zie meervoudige chipmodule (MCM).
media
Magnetische schijven, magnetische banden, CD's en DVD's.
Media Access Control (MAC)
In netwerken is dit de onderste van twee sublagen van de Open Systems Interconnection-modelgegevenslinklaag. De MAC-sublaag handelt de toegang tot gemeenschappelijke media af, bijvoorbeeld of er tokens worden doorgegeven of dat er gebruik wordt gemaakt van rivaliteit.
megabyte (MB)
Voor processoropslag, werkelijke en virtuele opslag en kanaalvolume, 2 tot de macht 20 of 1.048.575 bytes. Voor schijfgeheugencapaciteit en communicatievolume 1.000.000 bytes.
geheugen
Door programma adresseerbaar geheugen waaruit instructies en andere gegevens direct in registers kunnen worden geladen en vervolgens kunnen worden uitgevoerd en verwerkt. Zie ook hulpgeheugen
geheugenaffiniteit
Een functie die beschikbaar is in AIX voor de toewijzing van geheugen dat zich bevindt op dezelfde MCM (meervoudige chipmodule) als die waarop het proces wordt uitgevoerd. Geheugenaffiniteit verhoogt de performance van toepassingen op een aantal IBM Power Systems-servers.
geheugengewicht
Een relatieve waarde die een van de factoren is bij het bepalen van de toewijzing van fysiek geheugen aan de gemeenschappelijke geheugenpartities. Een hogere waarde ten opzichte van de waarden die zijn ingesteld voor andere partities met gemeenschappelijk geheugen verhoogt de kans dat de hypervisor meer fysiek geheugen toewijst aan de partitie met gemeenschappelijk geheugen.
menu
Een afgebeelde lijst met items waaruit een gebruiker kan kiezen.
MES
Zie miscellaneous equipment specification.
MFIOP
Zie multifunctie-invoer-/uitvoerprocessor.
micropartitie
Een logische partitie die gebruik maakt van een gedeeltelijke processor. In de technologie voor micropartitionering kan een partitie zo klein zijn als 1/20e van een processor of kan bestaan uit volledige plus gedeeltelijke processors.
middleware
Software die fungeert als tussenlaag tussen verschillende toepassingen of tussen client en server. Middleware wordt meestal gebruikt ter ondersteuning van complexe, gedistribueerde toepassingen in heterogene omgevingen.
migreren
  1. Een nieuwe versie of release van een programma installeren om een oudere versie of release te vervangen.
  2. Gegevens van de ene locatie naar de andere verplaatsen.
miscellaneous equipment specification (MES)
Een apparatuurwijziging die is ingediend na de oorspronkelijke order.
mobiele partitie
Een logische partitie die kan worden verplaatst van de bronserver naar de doelserver.
modulaire watereenheid (MWU)
Een eenheid voor het circuleren van water die wordt gekoeld door de warmtewisselaar, en zorgt voor de verspreiding naar de knooppunten.
mover service partition (MSP)
Een VIOS (Virtual I/O Server) die deel uitmaakt van een paar van VIOS-partities, waarvan een VIOS-partitie tot het bronsysteem behoort en de andere VIOS-partitie tot he tdoelsysteem. De MSP wordt gebruikt voor het overdragen van gegevens van de logische clientpartitie vanuit het bronsysteem tijdens een actieve bewerking van Live Partition Mobility.
MS
Zie management server.
MSD
Zie hoofdgeheugendump.
MSP
Zie mover service partition.
multifunctie-invoer-/uitvoerprocessor (MFIOP)
Een systeemprocessor die als eenheid meer dan één processorfunctie bevat, zoals een diskettecontroller, een opslagapparatuurcontroller en een communicatiecontroller.
meervoudige chipmodule (MCM)
De basisbouwsteen van een aantal IBM Power Systems-servers.
MWU
Zie modulaire watereenheid.

N

N_Port ID Virtualization (NPIV)
Een standaardmethode voor het virtualiseren van een fysieke glasvezelpoort.
NAT
Zie network address translation.
navigatiebalk
Een serie koppelingen naar andere pagina's binnen een website. Zo bevindt een navigatiebalk zich meestal bovenaan of onderaan een pagina en bevat deze rechtstreekse koppelingen naar de belangrijkste onderdelen binnen de website.
navigatiestructuur
Een hiërarchische structuur die wordt gebruikt voor de toegang tot informatie.
n-core
Elke geldige configuratie processors voor een systeem dat 1 - n processors kan ondersteunen.
netwerk
Een systeem van resources, zoals appliances, computers en opslagapparaten die virtueel of fysiek met elkaar verbonden zijn.
network address translation (NAT)
  1. De conversie van een netwerkadres dat aan een LU (Logical Unit) in het ene netwerk is toegewezen naar een adres in een aangrenzend netwerk. Zie ook static network address translation.
  2. De conversie, binnen een firewall, van beveiligde IP-adressen (Internet Protocol) naar extern geregistreerde adressen. Hiermee wordt communicatie met externe netwerken mogelijk maar worden de IP-adressen verborgen die binnen de firewall worden gebruikt.
netwerkbeheerder
Iemand die de netwerkconfiguratie en andere netwerkgerelateerde informatie definieert. Deze persoon bepaalt hoe een bedrijf of een systeem haar netwerkresources gebruikt.
netwerkopstartprocedure
De procedure voor het starten van een computer via het netwerk in plaats van vanaf een schijf.
Network Installation Management (NIM, netwerkinstallatiebeheer)
Een omgeving die installatie en configuratie van software verzorgt binnen een netwerkinterface.
netwerkinterfacecontroller (NIC)
Hardware die zorgt voor de interfacebesturing tussen het hoofdgeheugen van het systeem en de externe HSL-poorten (high-speed link).
network server description (NWSD)
Een object dat een beschrijving bevat van de kenmerken van een I/O-processor van een bestandsserver die op het systeem is aangesloten.
Netwerktijdprotocol (NTP)
Een protocol voor het synchroniseren van de klokken van computers in een netwerk.
NIC
Zie network interface controller.
NIM
Zie Network Installation Management.
knooppunt
  1. Een groep processors, geheugen en I/O-hub-hardwareresources in het systeem. Op systemen van machinetype FHA is een knooppunt een processorboek. Op systemen van machinetype MMA is een knooppunt een module.
  2. Bij netwerken een punt dat gegevens kan ontvangen en verzenden. Een knooppunt kan een apparaat zijn, zoals een printer of werkstation, een systeem, of een opslaglocatie op een schijf.
  3. In communicatie een eindpunt van een communicatieverbinding of een knooppunt dat gemeenschappelijk is voor twee of meer verbindingen in een netwerk. Knooppunten kunnen processors zijn, communicatiecontrollers, clustercontrollers, terminals of werkstations. Knooppunten kunnen variëren in functies voor routing en andere functionaliteit.
niet-gelijktijdige reparatie
Reparatie aan hardware in een apparaat terwijl dit uitgeschakeld is.
nonprogrammable workstation (NWS)
Een werkstation zonder verwerkingscapaciteit en waarvan de functies niet door de gebruiker kunnen worden gewijzigd.
NPIV
Zie N_Port ID Virtualization.
NTP
Zie Netwerktijdprotocol.
NWS
Zie niet-programmeerbaar werkstation.
NWSD
Zie netwerkserverbeschrijving.

O

OEM
Zie original equipment manufacturer.
ohm
Een maateenheid voor elektrische weerstand.
OLTP
Zie online transaction processing.
online transaction processing (OLTP)
Een type interactieve toepassing waarbij opdrachten die zijn verzonden door gebruikers worden verwerkt zodra ze worden ontvangen. Resultaten worden binnen relatief korte tijd naar de opdrachtgever verstuurd.
OPAL
Zie Open Power Abstraction Layer.
Open Power Abstraction Layer (OPAL)
Low-level firmware voor scale-out IBM Power Systems.
operating system (OS)
Een verzameling systeemprogramma's waarmee de totale werking van een computersysteem wordt bestuurd.
Operating System/400 (OS/400)
Het gelicentieerde IBM-programma dat wordt gebruikt als besturingssysteem voor iSeries-servers. Zie ook i5/OS, IBM i.
Operations Console
Een functie van System i Access for Windows waarmee een System i-console als een lokale PC of een PC op afstand kan worden gebruikt. Met Operations Console heeft een systeembeheerder vanuit zijn huis toegang tot de console.
controlepaneel
Zie bedieningspaneel.
optisch medium
Een CD-ROM-station, een DVD (Digital Video Disc) of beide.
OptiConnect
  1. Een System i-SAN (system area network) waarmee HSL's (High-Speed Links) tussen systemen in een System i-cluster kunnen worden uitgevoerd. OptiConnect bevat drie soorten hardwaretechnologie (SPD OptiConnect, HSL OptiConnect en virtual OptiConnect) die naast elkaar op een enkel clusterknooppunt kunnen bestaan.
  2. Een functie van het besturingssysteem IBM i waarmee een gebruiker meerdere System i-systemen kan verbinden door gebruik te maken van SPD-bus-, HSL-lus- (High-Speed Link) of virtuele interpartitietechnologie.
original equipment manufacturer (OEM)
Fabrikant wiens apparatuur wordt verkocht door een ander.
OS
Zie operating system.
OS/400
Zie Operating System/400.

P

partitie voor de pagingservice
Een logische VIOS-partitie (Virtual I/O Server) die toegang geeft tot de apparaten voor pagingruimte voor de partities met gemeenschappelijk geheugen.
pagingruimte
Gebied van niet-vluchtig geheugen dat wordt gebruikt om delen van het logische geheugen van een partitie met gemeenschappelijk geheugen te bewaren, die niet resident zijn in het gemeenschappelijk gebruikte geheugen.
apparaat voor pagingruimte
Een fysiek of logisch apparaat dat wordt gebruikt door de Virtual I/O Server om de pagingruimte te verzorgen voor een partitie met gemeenschappelijk geheugen.
PAL
Zie productactiviteitenlogboek (PAL).
parity update footprint
Een niet-vluchtig item dat aangeeft of de RAID-pariteit niet synchroon is met de gekoppelde gegevens, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een schrijfbewerking naar de RAID-array.
partitie
Een logische opslagindeling op een vaste schijf.
wachtwoord
In computer- en netwerkbeveiliging, een bepaalde tekenreeks aan de hand waarvan een programma, computerbeheerder of gebruiker toegang krijgt tot het systeem en de informatie die daarin is opgeslagen.
PCI
Zie Peripheral Component Interconnect.
PCI bridge
Een apparaat dat een of meer ondergeschikte PCI-bussen met een primaire PCI-bus verbindt. De PCI-bus die zich het dichtst bij de systeemprocessor bevindt is de primaire PCI-bus en de ondergeschikte bussen zijn secundaire PCI-bussen.
PCI bridge set
Een verzameling PCI-kaartposities.
PCIe
Zie Peripheral Component Interconnect Express.
PCI Express
Zie Peripheral Component Interconnect Express.
PCI host bridge (PHB)
Een levering dat gegevens van PCI-bridges samenvoegt voor levering aan de systeemprocessor.
PCI-X
Zie Peripheral Component Interconnect-X.
PDev
Zie fysiek apparaat.
PDF
Zie Portable Document Format.
Peripheral Component Interconnect (PCI)
Een lokale bus die een snel gegevenspad tussen de processor en aangesloten apparatuur levert. Zie ook Peripheral Component Interconnect Express, Peripheral Component Interconnect-X.
Peripheral Component Interconnect Express (PCI Express, PCIe)
Een lokale seriële interface die een snel gegevenspad tussen de processor en aangesloten apparatuur levert. In tegenstelling tot vorige PCI-implementaties die gebruik maakten van een parallelle busarchitectuur, gebruikt PCI Express point-to-point seriële links, die "lanes" worden genoemd. Zie ook Peripheral Component Interconnect.
Peripheral Component Interconnect-X (PCI-X)
Een uitbreiding van de PCI-architectuur (Peripheral Component Interconnect). PCI-X verbetert PCI-standaard (Peripheral Component Interconnect) door de doorvoercapaciteit te verdubbelen en door aanvullende performanceopties voor de adapter; compatibiliteit met eerdere PCI-adapters blijft behouden. Zie ook Peripheral Component Interconnect.
PHB
Zie PCI host bridge.
fysiek apparaat (PDev)
Een I/O-apparaat dat is toegewezen aan een logische partitie en dat rechtstreeks wordt gebruikt.
pinned memory
Een pagina in het geheugen die altijd beschikbaar is voor de toepassingen die zich in het fysieke geheugen bevinden.
systeemplaat
Een hardwareonderdeel dat (op een of meer niveaus) logische lijnen, distributielijnen met laag voltage of aardelijnen bevat.
platform
De combinatie van een besturingssysteem en hardware waaruit de besturingsomgeving bestaat waarbinnen een programma wordt uitgevoerd.
PPP (point-to-point-protocol)
Een gegevenskoppelingprotocol voor communicatie tussen twee computers die een seriële interface gebruiken, meestal een PC die via een telefoonlijn met een server is verbonden.
poort
Een hardware-interface waaraan een I/O-apparaat is gekoppeld om gegevens te kunnen verzenden en ontvangen.
Portable Document Format (PDF)
Een door Adobe Systems gedefinieerde standaard voor de elektronische distributie van documenten. PDF-bestanden zijn compact; ze kunnen wereldwijd worden verstuurd via e-mail, het web, intranets of CD-ROM; en ze kunnen worden gelezen met Acrobat Reader.
POST
Zie power-on self-test.
netsnoer
De elektrische verbinding tussen de krachtbron van de netvoeding en de computer.
uitschakelen
Een CL-opdracht om de stroomtoevoer te beëindigen en de werking van een systeem ordelijk te beëindigen.
Power IFL
Zie Power Integrated Facility for Linux.
Power IFL processorcore
Een gelicentieerde processorcore die wordt geactiveerd door featurecode ELJ1 op IBM Power Systems-servers. Elke Power IFL processorcore-feature schakelt één processorcore in. Alleen het besturingssysteem Linux kan op Power IFL-processorcores uitgevoerd worden.
Power Integrated Facility for Linux (Power IFL)
Een optionele core-activering van workloads die alleen bestemd is voor Linux op IBM Power Systems-servers, met lagere kosten per processor.
aan/uit-lampje
Het lampje op het bedieningspaneel dat aangeeft dat de gelijkstroom in het systeem werkt.
power-on self-test (POST)
Een serie interne diagnosetesten die elke keer worden geactiveerd als het systeem wordt ingeschakeld.
PowerVM Active Memory Sharing
Een technologie waarmee logische partities gemeenschappelijk gebruik kunnen maken van het geheugen in de pool van gemeenschappelijk geheugen.
PPP
Zie Point-to-Point Protocol.
vooraf geïnstalleerd systeem
Een reeds op de schijf geïnstalleerd systeem dat bij de gelicentieerde programma's en PTF's (Program Temporary Fixes) wordt geleverd.
prestatische paging
Een fase in het IPL-proces die plaatsvindt voor statische paging en waarbij de normale LIC-functies (Licensed Internal Code) nog geen gegevens van schijven kunnen lezen. Zie ook volledige paging, beperkte paging, statische paging.
persoonlijke sleutel
Een voor de versleuteling van berichten gebruikt algoritme dat alleen door de corresponderende openbare sleutel gedecodeerd kan worden. Met de persoonlijke sleutel kunnen ook berichten gedecodeerd worden die door de corresponderende openbare sleutel werden versleuteld. De persoonlijke sleutel bevindt zich op het systeem van de gebruiker en wordt door een wachtwoord beveiligd. Zie ook sleutel, openbare sleutel.
besloten netwerk
Een netwerk dat tot stand is gebracht en wordt beheer door een privéorganisatie of -onderneming voor gebruikers binnen die organisatie of onderneming. Zie ook openbaar netwerk.
probleemanalyse
Het proces van het zoeken naar de oorzaak van een probleem. Bijvoorbeeld een fout in een programma of een apparaat of een fout door de gebruiker.
processor
Een apparaat voor de verwerking van geprogrammeerde instructies. Het kan onderdeel zijn van een andere eenheid.
processorkern
Een enkele verwerkingseenheid op een chip met meerdere verwerkingseenheden.
productactiviteitenlogboek (PAL)
Een logboek van systeemgegevens, Licensed Internal Code-gegevens, softwarecomponenten, subsysteeminformatie en I/O-apparaatgegevens.
programmeerbaar werkstation
Een werkstation met een bepaalde mate van verwerkingscapaciteit waarvan de gebruiker de functies kan wijzigen.
program temporary fix (PTF)
Voor producten van System i, System p en System z is dit een pakket met afzonderlijke of meerdere fixes die beschikbaar worden gesteld aan alle klanten met licenties. Een PTF verhelpt fouten en geeft soms uitgebreide functionaliteit.
prompt
Een herinnering of een afgebeeld symbool dat om informatie of een actie van de gebruiker vraagt. Het programma wordt pas voortgezet nadat de gebruiker heeft geantwoord.
PTF
Zie program temporary fix.
openbare sleutel
Een algoritmepatroon dat wordt gebruikt voor het decoderen van berichten die door de corresponderende persoonlijke sleutel zijn versleuteld. Een openbare sleutel wordt ook gebruikt om berichten te versleutelen die alleen gedecodeerd kunnen worden door de corresponderende persoonlijke sleutel. Gebruikers doen hun openbare sleutel toekomen aan iedereen waarmee ze versleutelde berichten moeten uitwisselen. Zie ook sleutel, persoonlijke sleutel.
openbaar netwerk
In het algemeen een netwerk dat wordt beheerd door een telecommunicatiebedrijf of -instantie en dat als doel heeft circuit-geschakelde, pakket-geschakelde of niet-geschakelde lijnen te leveren voor algemeen gebruik. Zie ook besloten netwerk.

Q

QEMU
Een open source-emulator voor volledige PC-systemen. Naast de emulatie van een processor, kunnen met QEMU alle benodigde subsystemen, zoals hardware voor netwerk en video, worden geëmuleerd. Ook geavanceerde concepten worden ondersteund.
afrondingsprogramma uitvoeren
Om een proces te beëindigen of een systeem af te sluiten nadat de actieve bewerkingen normaal voltooid konden worden.

R

rek
Een vrijstaand frame waarin meerdere servers en uitbreidingseenheden geplaatst kunnen worden.
rekstabilisator
Een plaat die het rek stabiel of op zijn plaats houdt wanneer een apparaat uit het rek word getrokken.
RAID
Zie Redundant Array of Independent Disks.
RAID 5
Een vorm van pariteits-RAID waarbij de schijven onafhankelijk werken, de gegevensstripegrootte niet kleiner is dan de geëxporteerde blokgrootte en de pariteitscontrolegegevens oven de schijven van de array worden verdeeld.
RAID 6
Een vorm van RAID waarbij het verwerken van lees- en schrijfopdrachten kan worden voortgezet voor alle virtuele schijven van de array als er twee schijfstoringen zijn opgetreden.
rail
Hardware die aan de binnenkant van een rek is gemonteerd en die de apparaten vasthoudt die ontworpen zijn voor installatie in een rek.
kaal apparaat
In UNIX-besturingssystemen een blokgeoriënteerd apparaat dat gegevens verwerkt als een gegevensstroom van bytes, in plaats van als een blok.
RBAC
Zie op rollen gebaseerde toegangscontrole.
RDMA over Converged Ethernet (RoCE)
Een netwerkprotocol dat gebruik maakt van RDMA-communicatie (remote direct memory access) over een Ethernet-netwerk.
stopcontact
Een holle elektrische fitting die de delen van een circuit bevat die onder spanning staan.
Redundant Array of Independent Disks (RAID)
Een verzameling van twee of meer fysieke stations die door de host worden beschouwd als één of meer logische stations. Als er een schijfstoring optreedt, kunnen de gegeven door middel van schijfredundantie worden gelezen of opnieuw worden opgebouwd van de andere schijfstations in de array.
verwijzingscode
Een groep tekens die de status van de machine identificeert of een bepaalde fout.
release
Een distributie van een nieuw product of een nieuwe functie en APAR-fixes (authorized program analysis report) voor een bestaand product. De eerste versie van een product wordt geannonceerd als release 1 modificatieniveau 0.
op afstand
Heeft betrekking op een systeem, programma of apparaat dat toegankelijk is via een communicatielijn.
bedieningspaneel op afstand
Een grafisch interface die door Operations Console wordt verstrekt en die bedieningspaneelbewerkingen vanaf een locatie op afstand mogelijk maakt. Door deze interface kunnen PC's toegang krijgen tot het bedieningspaneel waarmee de werking of het onderhoud van het systeem wordt bestuurd.
remote input/output (RIO)
Een type hardware-architectuur die zorgt voor snellere invoer-/uitvoerbewerkingen tussen een systeem en uitbreidingseenheden. Zie ook high-speed link.
op afstand opnieuw starten
De functie die een logische partitie opnieuw start op een andere fysieke server tijdens de uitval van een server.
betrouwbare attestatie op afstand
Een proces voor het ophalen en controleren van de integriteitsmetingen voor firmware, die zijn vastgelegd in de Trusted Platform Module.
verwisselbare media
Volumes die uit een hardwareapparaat waarmee ze worden gelezen op beschreven, kunnen worden verwijderd (zoals een bandcassette of optische schijven).
Resource Monitoring and Control (RMC)
Een subsysteem dat op elk clusterknooppunt wordt uitgevoerd en dat algemene toegang verzorgt naar subsystemen en resources over de gehele cluster; zo wordt een enkele infrastructuur verzorgd voor bewaking en beheer.
RIO
Zie remote input/output.
RMC
Zie Resource Monitoring and Control.
RoCE
Zie RDMA over Converged Ethernet.
op rollen gebaseerde toegangscontrole (RBAC)
Het proces van het beperken van toegang tot integrale componenten van een systeem op basis van gebruikersverificatie, rollen en machtigingen.

S

SAS
Zie serial-attached SCSI.
SAS-uitbreiding
Een component die verwisselbare communicatiepaden tussen meerdere SAS-apparaten mogelijk maakt.
SCSI
Zie Small Computer System Interface.
SCSI Enclosure Services (SES)
Een deelverzameling van het SCSI-protocol (Small Computer Stem Interface) dat wordt gebruikt voor het bewaken van de status van temperatuur, stroom en ventilator voor behuizingsapparaten.
SDLC
Zie Synchronous Data Link Control.
SEA
Zie gemeenschappelijke Ethernet-adapter.
beveiligd opstarten
Een methode om ervoor te zorgen dat alleen geldige programmacode wordt gebruikt voor bewerkingen zoals het starten van een systeem, het starten van een partitie en het bijwerken van gelijktijdig uitgevoerde firmware.
Secure Shell (SSH)
Een netwerkprotocol voor beveiligde uitwisseling van gegevens tussen twee netwerkapparaten. De client kan gebruik maken van verificatie op basis van openbare sleutels en persoonlijke sleutels, of van wachtwoorden om toegang te krijgen tot een server op afstand.
serial-attached SCSI (SAS)
Een technologie voor gegevensoverdracht waarbij gegevens van en naar computeropslagapparaten worden verplaatst. Een serial-attached SCSI die gebruik maakt van een point-to-point serieel protocol en de vervanging vormt van de traditionele, parallelle SCSI-bustechnologie.
server
Een softwareprogramma of een computer dat/die services verstrekt aan andere softwareprogramma's of andere computers, die clients genoemd worden. Een server kan ook aanvragen van andere servers verwerken. Zie ook client, host.
serverfirmware
De code die voorkomt in het flashgeheugen van het systeem en een aantal subcomponenten bevat, inclusief POWER Hypervisor, voedingsapparatuur, serviceprocessor, en firmware voor de logische partitie die wordt geladen in logische partities met AIX of Linux.
server-side include (SSI)
Een voorziening voor het opnemen van dynamische gegevens in documenten die naar clients worden verzonden, zoals de huidige datum, de laatste wijzigingsdatum van een bestand en de grootte of laatste wijzigingsdatum van andere bestanden.
serviceactielogboek
Een programma dat de items afbeeldt die ingrijpen vereisen van een servicemedewerker.
service (machtiging)
Een speciaal machtigingsniveau dat gebruikers in staat stelt de servicefuncties te wijzigen.
Service Focal Point
Een toepassing op de Hardware Management Console (HMC) die problemen verzamelt met betrekking tot het systeem en de logische partities. Deze worden gebruikt om problemen nader te bekijken en op basis daarvan actie te ondernemen.
serviceprocessor
  1. De interface naar de HMC (Hardware Management Console) die zorgt voor besturing van hardware en ondersteuning van logische partities (LPAR's) voor IBM Power Systems-servers.
  2. De logica die de processorfunctie bevat voor het starten van de systeemprocessor en voor het afhandelen van fouten
serviceprovider (SP)
Een bedrijf dat diensten levert tegen een vergoeding, bijvoorbeeld telefoonbedrijven, serviceproviders voor toepassingsprogramma's, IT van de onderneming en internetserviceproviders.
serviceopdrachtnummers (Service Request Numbers, SRN's)
Een code die door servicetechnici of de klant wordt gebruikt om het defecte gebied van een systeem te bepalen.
apparatuur-ID voor servicetools
Een programmeerobject dat op de PC en het IBM System i-model wordt gebruikt om de netwerkverbinding tussen deze twee te verifiëren. Een apparatuur-ID voor servicetools is uniek voor die PC en voor de serververbinding. Het apparatuur-ID voor servicetools kan door gemachtigde gebruikers in DST (Dedicated Service Tools of SST (System Service Tools) worden beheerd. Het standaard-apparatuur-ID voor servicetools is QCONSOLE.
server voor servicetools
Een server waarmee het gebruik van een PC voor het uitvoeren van servicetoolfuncties via TCP/IP mogelijk is.
SES
Zie SCSI Enclosure Services.
gemeenschappelijke Ethernet-adapter (SEA)
Een VIOS-component (Virtual I/O Server) die een verbinding vormt tussen een fysieke Ethernet-adapter en een of meer virtuele Ethernet-adapters.
gemeenschappelijk geheugen
Fysiek geheugen dat is toegewezen aan een pool met gemeenschappelijk gebruikt geheugen en wordt gedeeld door meerdere logische partities.
gemeenschappelijk gebruikte geheugenpool
Een gedefinieerde collectie van fysieke geheugenblokken die worden beheerd als enkele geheugenpool door de hypervisor.
gemeenschappelijke processorpool
Een groep fysieke processors die capaciteit ter beschikking stelt die door meerdere logische partities gebruikt kan worden. Verwerkingscapaciteit van de gemeenschappelijke processorpool kan worden toegewezen aan elk van de logische partities in processoreenheden. Het totaal van de toegewezen verwerkingscapaciteit voor alle logische partities in de gemeenschappelijke processorpool kan niet groter zijn dan de totale verwerkingscapaciteit van de gemeenschappelijke processorpool.
gemeenschappelijke pool
Een pool die gedistribueerde toegang tot opslag verzorgt voor een of meer logische partities of virtuele servers in een cluster of die gemeenschappelijk kan worden gebruikt door meerdere subsystemen.
korte hostnaam
Het gedeelte met de naam van het systeem of de machine van een volledige hostnaam; als bijvoorbeeld de volledige hostnaam "systeem1.mysite.mycompany.com" is, is de korte hostnaam "systeem1."
SIMM
Zie single inline memory module.
single inline memory module (SIMM)
Een kleine printkaart die een aantal geheugenchips bevat in een ruimtebesparende configuratie, waarbij de aansluitpennen op één lijn aan de rand van de kaart zijn geplaatst. Een variërend aantal SIMM's kan eenvoudig in een geheugenaansluiting worden geplaatst om de hoeveelheid RAM-geheugen uit te breiden. Zie ook dual inline memory module.
single root I/O virtualization (SR-IOV)
Een specificatie van de Peripheral Component Interconnect (PCI) Special Interest Group waarmee meerdere partities die gelijktijdig actief zijn binnen een enkele computer een PCIe-apparaat (Peripheral PCI Express) gemeenschappelijk kunnen gebruiken.
skew
Het tijdsverschil tussen twee klokken of klokwaarden.
Small Computer System Interface (SCSI)
Een elektronische interface volgens de ANSI-standaard waardoor PC's sneller en flexibeler (dan met eerdere interfaces) met randapparatuur, zoals schijfstations, CD-ROM-stations, printers en scanners kunnen communiceren.
SMP
Zie symmetric multiprocessor.
SMS
Zie system management services.
SNA
Zie Systems Network Architecture.
momentopname
Een image dat een exacte kopie vormt van de oorspronkelijke bestanden of directory's waarvan het is gemaakt.
solid-state station (SSD)
Een opslagapparaat dat niet-vluchtig flashgeheugen bevat. Een SSD (solid-state drive) heeft geen bewegende mechanische onderdelen.
bronserver
Een server die wordt bijgewerkt met nieuwe hardware of software waarvan gegevens wordt gemigreerd.
SP
Zie serviceprovider.
SPCN
Zie system power control network.
spine
Een kaart binnen een switchchassis die zorgt voor connectiviteit tussen eindpuntkaarten.
SRC
Zie systeemverwijzingscode (SRC).
SR-IOV
Zie single root I/O virtualization.
SRN
Zie service request number.
SSD
Zie solid-state station.
SSH
Zie Secure Shell.
SSI
Zie server-side include.
SST
Zie system service tools.
statisch IP-adres
Een vast IP-adres voor een permanent apparaat of logische eenheid op een netwerk dat gebruik maakt van de IP-standaard. Zie ook IP-adres.
static NAT
Zie static network address translation.
static network address translation (static NAT)
Een één-op-één-toewijzing van IP-adressen waardoor een gebruiker in staat wordt gesteld een IP-adres op een intern netwerk toe te wijzen aan een IP-adres dat openbaar gemaakt moet worden. Als statisch NAT wordt gebruikt, kan aan beide einden van de verbinding verkeer worden gestart. Zie ook network address translation.
statische paging
Een fase in het IPL-proces die plaatsvindt voor beperkte paging en waarbij alleen voorafgedefinieerde gegevens op de schijfeenheid met bronbestanden kunnen worden geopend. Zie ook volledige paging, beperkte paging, prestatiepaging.
subnetmasker
Voor subnetwerken onder internet een 32-bits masker dat wordt gebruikt voor het identificeren van de adresbits van het subnetwerk in het hostgedeelte van een IP-adres.
supernode
Een groep van vier Power 775 CEC-laden met in totaal 1024 processorcores en daarbij het geheugen, de chips van de hubswitch en PCIe-sleuven.
switchpoort
Zie leaf.
symmetrische multiprocessor (SMP)
Een systeem waarin meerdere functioneel identieke processors parallel worden gebruikt waardoor op eenvoudige en efficiënte wijze belastingsverdeling wordt bereikt.
Synchronous Data Link Control (SDLC)
Een protocol voor het beheren van synchrone informatieoverdracht via een data link-verbinding.
systeem
Een computer en de bijbehorende apparatuur en programma's.
systeem-ASP
De hulpgeheugenpool (ASP) waarin de systeemprogramma's en systeemgegevens zich bevinden. Er kunnen zich ook programma's en gegevens van de gebruiker in bevinden. Het systeem-ASP (ASP1) bestaat altijd. Zie ook auxiliary storage pool, gebruikers-ASP.
Systeemconsole
Het apparaat dat de controle heeft over het besturingssysteem nadat het systeem is afgesloten en als het systeem in een beperkte werkstand staat. Er kan slechts een apparaat tegelijk de systeemconsole zijn. Zie ook backupconsole.
systeemeventlogboek
Een logbestand op het systeem waarin informatie wordt opgeslagen over systeemproblemen en prestatieproblemen.
systeemfirmware
Zie serverfirmware.
System i
Een serie IBM-systemen die wordt gekenmerkt door objectgeoriënteerde architectuur, een geïntegreerde relationele database, en een high-level machine-interface. System i-systemen ondersteunen de besturingssystemen IBM i, i5/OS, Operating System/400, AIX en Linux. Zie ook i5/OS, IBM i.
System i Navigator
Een bijgeleverde voorziening van IBM i Access for Windows die gebundeld is met het besturingssysteem IBM i. System i Navigator bevat een grafische gebruikersinterface voor algemene functies voor beheer van System i. Een aantal van deze algemene beheerfuncties bestaan uit basisbewerkingen, TCP/IP-configuratie, takenbeheer, gebruikers en groepen, databasebeheer en Centraal beheer.
system management services (SMS)
Een interface die informatie geeft over uw systeem of logische partitie en dat taken kan uitvoeren zoals het het wijzigen van de opstartlijst of het instellen van netwerkparameters. Deze interface wordt gebruikt voor logische partities onder AIX of Linux.
Beveiliging Systeembeheer
Een toepassing op de HMC (Hardware Management Console) die er voor zorgt dat de HMC veilig in de client/server-werkstand kan werken.
systeempoort
Een seriële poort die beschikbaar is voor specifieke ondersteunde functies. De functies van deze poort zijn beperkt tot een serieel gekoppelde TTY-consolefunctie en tot gebruik van goedgekeurde call-home-modems - en in sommige gevallen naar een UPS (noodvoeding).
system power control network (SPCN)
Een netwerk voor asynchrone seriële communicatie. SPCN verbindt het voedingssysteem bij componenten die er deel van uitmaken met het besturingssysteem en kan cruciale wijzigingen en storingen in de voeding van deze componenten rapporteren aan het besturingssysteem. SPCN geeft het besturingssysteem controle over de elektrische voeding.
systeemprocessor
De logica die de processorfunctie bevat voor het vertalen en verwerken van de opdrachten van het besturingssysteem en de toepassingen.
system reference code (SRC)
Een alfanumerieke reeks tekens (code) die informatie bevat, bijvoorbeeld een defect FRU-onderdeel, voor een servicemedewerker, voor een technicus bij de klant, of voor de klant om het systeem te onderhouden.
system service tools (SST)
Het gedeelte van de servicefunctie dat wordt gebruikt om service te verlenen aan het systeem terwijl het besturingssysteem wordt uitgevoerd.
SNA (Systems Network Architecture)
Beschrijving van de logische structuur, indelingen, protocollen en operationele volgorde beschrijft voor de overdracht van informatie over netwerken en besturing van de configuratie en werking van netwerken.
systeemeenheid
Het deel van een computer waarin de processor zich bevindt. De systeemeenheid kan ook apparaten bevatten als schijf- en bandstations.

T

doelserver
  1. Een database die doeltabellen voor replicatie bevat.
  2. Bij het upgraden is dit de geplande hardwareconfiguratie en het softwareniveau als de upgrade is uitgevoerd.
TCP
Zie Transmission Control Protocol.
TCP/IP
Zie Transmission Control Protocol/Internet Protocol.
Telnet
In TCP/IP een protocol dat een verbinding verzorgt met een terminal op afstand. Met Telnet kunnen gebruikers zich aanmelden op de ene host en van daaruit zich aanmelden bij een host op een andere locatie; ze kunnen dan werken alsof ze op een direct op die host aangesloten terminal werken.
terminal type (tty)
Een generiek stuurprogramma voor een tekstbeeldscherm. Een tty voert in het algemeen invoer en uitvoer uit op basis van teken-na-teken.
Thin Console
Een apparaat dat een op 5250 gebaseerde, besturingssysteemconsole levert voor het besturingssysteem IBM i. Dit apparaat maakt direct verbinding met de server met behulp van een van de HMC Ethernet-poorten (gelabeld HMC 1 en HMC 2) aan de achterkant van de server.
thin provisioning
De mogelijkheid om de toewijzing van capaciteit op een opslagresource uit te stellen totdat er daadwerkelijk gegevens naartoe zijn geschreven.
onderwerp
Een enkele webpagina op enig niveau binnen de hiërarchie van het Informatiecentrum.
onderwerpenverzameling
Een functionele groep webpagina's. Een onderwerpenverzameling kan een groep zijn op enig niveau binnen de hiërarchie van het Informatiecentrum.
topologie
De fysieke of logische toewijzing van de locatie van netwerkcomponenten of -knooppunten in een netwerk. Gebruikelijke netwerktopologieën zijn onder andere bus, ring, ster en boomstructuur.
Transmission Control Protocol (TCP)
Een communicatieprotocol dat wordt gebruikt in internet en in elk netwerk dat voldoet aan de IETF-standaard (Internet Engineering Task Force). TCP biedt een betrouwbaar host-to-host protocol in packet-switched communicatienetwerken en in onderling verbonden systemen van dergelijk netwerken. Zie ook Internet Protocol.
Transmission Control Protocol/Internet Protocol (TCP/IP)
Een algemeen aanvaarde, openbare set communicatieprotocollen die voor betrouwbare end-to-end-verbindingen tussen toepassingen zorgen via onderling verbonden netwerken van verschillende typen.
trunkadapter
Een virtuele Ethernet-adapter die het verkeer ontvangt van alle clientpartities die zijn geconfigureerd op een VLAN (virtueel local area network) dat vergelijkbaar is met het VLAN van de trunkadapter.
Trusted Platform Module
Een hardware-implementatie van de Trusted Platform Module-specificatie die beschreven is door de Trusted Computing Group.
truststore
Een sleuteldatabase die certificaten van certificaatgevers bevat voor alleen de doelservers die de gebruiker vertrouwt.
tty
Zie terminal type.
twinaxkabel
Een kabel met twee geleiders in een afgeschermde kabel die wordt gebruikt voor apparaten van de 5250-productgroep.

U

UART
Zie Universal Asynchronous Receiver/Transmitter.
UEFI
Zie Unified Extensible Firmware Interface.
onbewaakte opstartprocedure (IPL)
Een IPL-werkstand waarmee het systeem automatisch het besturingssysteem laadt zonder tussenkomst van de gebruiker. Zie ook bewaakte opstartprocedure (IPL).
niet-begrensde partitie
Een logische partitie die gebruik maakt van een gemeenschappelijke processorpool waarvan de toegewezen huidige verwerkingscapaciteit kan worden overschreden als de gemeenschappelijke processorpool ongebruikte verwerkingscapaciteit bevat. De waarde die aan de niet-begrensde partitie wordt toegewezen, bepaalt welk percentage ongebruikte verwerkingscapaciteit die logische partitie ontvangt als er meer dan één niet-begrensde partitie verwerkingscapaciteit opeist in een gemeenschappelijke processorpool.
niet-begrensd gewicht
Een getal van 0 tot en met 255 dat kan worden ingesteld voor elke logische partitie in de gemeenschappelijke verwerkingspool. Op basis van deze waarden wordt de beschikbare ongebruikte capaciteit proportioneel verdeeld over de logische partities die capaciteit nodig hebben. Dit gebeurt op basis van de genormaliseerde waarden voor het onbegrensde gewicht.
Unified Extensible Firmware Interface (UEFI)
Een specificatie die gedetailleerde informatie bevat over de interface tussen het besturingssysteem en de platformfirmware tijdens de opstarttijd. De specificatie is niet specifiek van toepassing op een bepaalde processorarchitectuur.
uninterruptible power supply (UPS)
Een accu die is geïnstalleerd tussen de normale netvoeding en het systeem, zodat het systeem blijft draaien als een stroomstoring optreedt en de systeemverwerking op een systematische manier kan worden beëindigd.
eenheid
De gedefinieerde ruimte op schijfstations die door het systeem wordt geadresseerd.
Universal Asynchronous Receiver/Transmitter (UART)
Een elektronisch circuit dat gegevens verzendt en ontvangt via een seriële poort.
Universal Serial Bus (USB)
Een standaard seriële interface voor telefoon- en multimediaverbindingen naar personal computers.
update aanbrengen
Fixes op een systeem toepassen.
upgrade
  1. Een hardware- of softwarewijziging naar een latere release of een hardware- of softwaretoevoeging.
  2. Een nieuwe versie of release van een product installeren om een oudere versie of release van het product te vervangen.
UPS
Zie uninterruptible power supply.
USB
Zie Universal Serial Bus.
gebruikers-ASP
  1. Een of meer geheugeneenheden waarmee enkele objecten kunnen worden gescheiden van andere objecten, die zijn opgeslagen in de systeem-ASP en andere gebruikers-ASP's. Gebruikers-ASP's worden gedefinieerd door de gebruiker.
  2. Een of meer hulpgeheugenpools waarmee journaals, journaalontvangers en opslagbestanden worden gescheiden van andere systeemobjecten die zijn opgeslagen in de systeem-ASP. Zie ook auxiliary storage pool, systeem-ASP.
gebruikers-ID
Zie gebruikersidentificatie.
gebruikersidentificatie (gebruikers-ID)
De naam die wordt gebruikt om een gebruikersprofiel te koppelen aan een gebruiker als de gebruiker zich aanmeldt bij het systeem.

V

offline zetten
Een apparaat, stuureenheid of lijn niet-beschikbaar maken voor het bedoelde gebruik.
online zetten
Als u een schijvenpool online zet, is deze beschikbaar voor normaal gebruik. Alle primaire en secundaire schijvenpools in een schijvenpoolgroep worden tegelijkertijd online gezet.
VDP
Zie Vital Product Data.
VEPA
Zie Virtual Ethernet Port Aggregator.
versie
Een apart gelicentieerd programma dat doorgaans belangrijke nieuwe code of nieuwe functies bevat.
VIOS
Zie Virtual I/O Server.
logische VIOS-partitie
Een partitie die de VIOS-software (Virtual I/O Server) software uitvoert waarmee fysieke I/O-resources tussen logische clientpartities in een server gemeenschappelijk kunnen worden gebruikt.
Virtual Ethernet Port Aggregator (VEPA)
De mogelijkheid van een fysieke server om samen te werken met een naastgelegen bridge voor het verzorgen van frame relay-services tussen meerdere virtuele machines, die zich op een server en op een extern netwerk bevinden.
virtuele glasvezeladapter
Een virtuele adapter die een glasvezelverbinding verzorgt voor logische partities van clients naar een opslagnetwerk via de logische partitie van de virtuele I/O-server. Het framework maakt gebruik van NPIV (N_Port ID Virtualization) en elke virtuele glasvezeladapter heeft een paar bijbehorende unieke WWPN's (Worldwide Port Names).
Virtual I/O Server (VIOS)
Software waarmee fysieke I/O-resources tussen logische clientpartities in de server gemeenschappelijk kunnen worden gebruikt.
virtualisatie
De vervanging van virtuele resources door feitelijke resources, waarbij de virtuele resources dezelfde functies en externe interfaces hebben als hun tegenhangers, maar verschillende kenmerken hebben - bijvoorbeeld grootte, snelheid en kosten. Virtualisatie wordt meestal toegepast op fysieke hardwareresources door verschillende fysieke resources te combineren tot gemeenschappelijke pools waaruit gebruikers virtuele resources ontvangen.
virtual local area network (VLAN)
Een logische associatie van switchpoorten op basis van een set van regels of criteria, zoals MAC-adressen (Medium Access Control), protocollen, netwerkadres of multicastadres. Met dit concept kan het LAN opnieuw worden gesegmenteerd zonder dat een fysieke herrangschikking nodig is.
virtuele processor
Een instelling die de toegewezen verwerkingscapaciteit voor het besturingssysteem definieert. Virtuele processors hebben een kleinere verwerkingscapaciteit dan een fysieke processor. Een logische partitie in de gemeenschappelijke verwerkingspool moet ten minste over hetzelfde aantal virtuele processors als de toegewezen verwerkingscapaciteit beschikken.
virtuele SCSI-clientadapter
Een virtuele adapter in een logische partitie die communiceert met een virtuele SCSI-serveradapter in een andere partitie. Met behulp van een virtuele SCSI-clientadapter kan een logische partitie toegang krijgen tot de opslagapparaten die door een andere logische partitie beschikbaar worden gesteld. Zie ook virtuele SCSI-serveradapter.
virtuele SCSI-serveradapter
Een adapter in een logische partitie die beschikbaar is voor een virtuele SCSI-clientadapter in een andere logische partitie. Een logische partitie waaraan een opslagapparaat is toegewezen, kan dat apparaat laten verwijzen naar een virtuele SCSI-serveradapter. Zie ook virtuele SCSI-clientadapter.
virtuele server
Een systeem dat bestaat uit gepartitioneerde, gemeenschappelijke of gevirtualiseerde resources die worden gepresenteerd vanuit een hostsysteem. Een besturingssysteem en andere software kunnen op een virtuele server worden geïnstalleerd.Zie ook logische partitie.
virtual server network (VSN)
De functie die zorgt voor uitgebreide toegang, beveiliging en geïntegreerd beheer voor onderling verbonden opslageenheden en virtuele servers, en voor onderling verbonden netwerkstructuur, zoals virtuele switches en routers.
virtuele serviceprocessor (VSP)
De firmware voor het besturen van het in- en uitschakelen van een logische partitie, met inbegrip van het laden van de firmware voor het besturen van de I/O-sleuven en het initialiseren van de geheugenruimte voor de logische partitie.
virtuele terminal
Een systeemobject dat wordt gemaakt of beheerd door een toepassingsprogramma en dat een functionele representatie of simulatie biedt van een fysiek weergavestation.
Virtual Trusted Platform Module (VTPM)
Een software-implementatie van de Trusted Platform Module-specificatie die beschreven is door de Trusted Computing Group. De Trusted Platform Module wordt als fysieke chip op systemen geïmplementeerd.
vital product data (VDP, VPD)
Gegevens die elementen van een systeem, hardware, software, en microcode van een verwerkingssysteem eenduidig definiëren.
VLAN
Zie virtual local area network.
VLAN-tagging
Het proces van het toevoegen van een VLAN-nummer aan het Ethernet-pakket om een fysiek netwerk logisch te segmenteren, waarbij de connectiviteit van netwerklaag 2 beperkt wordt tot de leden die tot hetzelfde VLAN behoren.
VMware
Een in de handel verkrijgbaar op zich zelf staande virtualisatie-omgeving voor System x en gelijksoortige platforms.
voltage regulator module (VRM)
Een vervangbare module op een systeemplaat die het voltage naar de microprocessor regelt.
VPD
Zie Vital Product Data.
VRM
Zie voltage regulator module.
VSN
Zie virtual server network.
VSP
Zie virtuele serviceprocessor.
VTPM
Zie Virtual Trusted Platform Module.

W

web
Zie World Wide Web.
website
Een webserver die wordt beheerd door één entiteit (een organisatie of een persoon) en informatie in de vorm van hypertekst voor gebruikers bevat. Op een website staan vaak hyperlinks naar andere websites.
wizard
Dit hulpmiddel voor gebruikers biedt een alternatieve route langs moeilijke taken die vrijwel nooit uitgevoerd hoeven te worden. De gebruiker moet antwoorden in de wizard-schermen invoeren die op volgorde verschijnen. Vervolgens worden de ingevoerde gegevens verwerkt en wordt de taak uitgevoerd. Wizards voeren slechts één taak uit en staan meestal op zichzelf.
werkstation
Een terminal of personal computer waarop een gebruiker programma's kan uitvoeren en die meestal verbonden is met een mainframe of een netwerk. Zie ook beeldstation
worldwide node name (WWNN)
Een uniek 64-bits ID voor een host die een glasvezelpoort bevat. Zie ook worldwide port name.
worldwide port name (WWPN)
Een uniek 64-bits ID dat is gekoppeld aan een poort van een glasvezeladapter. De manier waarop het WWPN wordt toegewezen, is onafhankelijk van de implementatie en het protocol. Zie ook worldwide node name.
World Wide Web (web, WWW)
Een netwerk met servers die programma's en bestanden bevatten. Veel bestanden bevatten hyperlinks naar andere documenten die op het netwerk beschikbaar zijn.
WWNN
Zie worldwide node name.
WWPN
Zie worldwide port name.
WWW
Zie World Wide Web.